<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2020:225</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-01T17:27:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR2019H00325</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:225">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:225</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-01T17:27:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2020:225 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 24-09-2020 / CUR2019H00325</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:225:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Op 30 november 2017 heeft appellant de minister verzocht om aan hem een </para>
        <para>vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen. Het Hof is van oordeel dat de minister dit verzoek ten onrechte heeft afgewezen wegens het niet voldoen aan het uitlandigheidsvereiste. Appellant heeft op 19 april 2017 de minister verzocht om de beslissing op zijn eerstvolgende verzoek om een vergunning tot tijdelijk verblijf, in Curaçao af te mogen wachten en hem dispensatie te verlenen van het uitlandigheidsvereiste. Voor het Hof is voldoende vast komen te staan dat dit verzoek door de minister is ingewilligd. Appellant mocht naar het oordeel van het Hof aan de door de minister verleende dispensatie de verwachting ontlenendat de minister het uitlandigheidsvereiste niet aan hem zou tegenwerpen bij het nemen van een beslissing op zijn verzoek van 30 november 2017.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:225:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="52fcea5c-5702-468a-baf4-760a51e9b2d1" depth="90" width="250" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>CUR2019H00325</para>
    <para>Datum uitspraak: 24 september 2020</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN</para>
    <para>EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN  SABA</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant],  wonende  te Curaçao,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>appellant,</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 8 augustus 2019 in zaak nr. CUR201801163, in het geding tussen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>appellant</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de minister van Justitie (hierna: de    minister).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Procesverloop</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij beschikking van 24 maart 2018 heeft de minister  een  verzoek van  appellant om aan hem een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen met als verblijfsdoel  arbeid afgewezen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij uitspraak van 8 augustus 2019 heeft het Gerecht het door appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond  verklaard.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. De minister heeft  een verweerschrift  ingediend.</para>
    <para>Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2020, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.K.H. Ayubi, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. Tweeboom, advocaat, zijn verschenen.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Overwegingen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Wettelijk kader</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze   uitspraak.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Appellant is op 15 juli 1978 in Jamaica geboren en heeft de Jamaicaanse nationaliteit. Op 10 september 2005 is hij aangekomen in Curaçao, waar hij sindsdien onrechtmatig verblijft. Op 30 november 2017 heeft appellant de minister verzocht om aan hem een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen met als verblijfsdoel arbeid. De minister heeft dit verzoek bij beschikking van 24 maart 2018, op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Landsverordening toelating en uitzetting (hierna: de Ltu), afgewezen. Volgens de minister heeft appellant de beslissing op zijn verzoek van 30 november 2017 om eerste toelating niet in het buitenland afgewacht (hierna: het uitlandigheidsvereiste), zodat zijn verzoek, in overeenstemming met het bepaalde in hoofdstuk 3, paragraaf 3.1.1, van de door de minister van Justitie aan de gezaghebbers gegeven Herziene instructie inzake de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van juni 2006 (hierna: de Instructie), moest worden afgewezen.</para>
      <para>Het Gerecht heeft het door appellant tegen de laatstgenoemde beschikking ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant is het daar niet mee eens en vecht het oordeel van het Gerecht in hoger beroep aan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Appellant betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld    dat de minister het verzoek van 30 november 2017 terecht heeft afgewezen. Daartoe stelt hij voorop dat hij de minister, bij brief van 19 april 2017, heeft verzocht  om de beslissing op zijn  eerstvolgende  verzoek  om  een vergunning</para>
      <para>4. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tot tijdelijk verblijf, in Curaçao af te mogen wachten en hem dispensatie te verlenen van het uitlandigheidsvereiste. Op die brief heeft de minister    op</para>
      <para>9 mei 2017 “akk. cfm verzoek” geschreven en daarbij heeft hij zijn stempel en paraaf geplaatst. Volgens appellant mocht hij daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de minister het uitlandigheidsvereiste niet aan hem zou tegenwerpen bij een eerstvolgend verzoek om een vergunning tot tijdelijk verblijf. De door de minister genomen beschikking van 24 maart 2018 is dan  ook in strijd met het vertrouwensbeginsel, aldus    appellant.</para>
      <para>Voorts voert appellant aan dat de bestreden beschikking, nu de minister in een gelijk geval  alsnog de gevraagde vergunning heeft verleend,  in strijd is met het   gelijkheidsbeginsel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Zoals het Hof eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 17 januari 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:16), kan een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan een concrete, ondubbelzinnige aan dat orgaan toe te  rekenen toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden   ontleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Vaststaat dat appellant de beslissing op zijn verzoek van</para>
      <para>30 november 2017 in Curaçao – waar hij onrechtmatig verblijft – heeft afgewacht,  zodat  niet  is  voldaan  aan  het  in  hoofdstuk  3,  paragraaf  3.1.1, van de Instructie neergelegde uitlandigheidsvereiste.  Het bepaalde in artikel   9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ltu staat dan ook in beginsel in de     weg aan  toewijzing van het verzoek.  Anders dan  het Gerecht,  is het Hof echter van oordeel dat het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt.  Daartoe  wordt  vooropgesteld  dat appellant  de minister  bij brief  van 19  april 2017 heeft verzocht om de beslissing op  zijn eerstvolgende verzoek  om een vergunning tot tijdelijk verblijf, in Curaçao af te mogen wachten  en  hem dispensatie te verlenen van het uitlandigheidsvereiste. Op die brief is  “akk. cfm. verzoek” geschreven en daarbij zijn een paraaf en een stempel van het ministerie van Justitie geplaatst. Aangezien die paraaf een sterke gelijkenis  vertoont  met  de  paraaf  van  de  (toenmalige)  minister  van  Justitie en tussen partijen ook niet in geschil is dat dit een gebruikelijke wijze was waarop een verzoek als hier aan de orde werd ingewilligd, is voor het Hof voldoende vast komen te staan dat het verzoek van 19 april 2017 door de minister is ingewilligd. Gelet hierop, en gelet op het feit dat de minister ook bevoegd  is  om  op  een  zodanig  verzoek  te  beslissen,  mocht  appellant  naar het oordeel van het Hof aan de door de minister verleende dispensatie de verwachting ontlenen dat de minister het uitlandigheidsvereiste niet aan hem zou tegenwerpen bij het nemen van een beslissing op zijn verzoek van</para>
      <para>30 november 2017. Dat de inwilliging van het verzoek van 19 april 2017, zoals de minister ter zitting heeft benadrukt, in strijd is met het op</para>
      <para>8 januari 2015 vastgestelde - en sindsdien geldende - beleid dat verzoeken om dispensatie van het vereiste van uitlandigheid niet (langer) worden ingewilligd, doet daaraan niet af, want dat blijkt niet uit de zonder voorbehoud gebruikte woorden “akk. cfm. verzoek” van de kant van de beslissingsbevoegde minister en kan dus niet aan appellant worden tegengeworpen. De omstandigheid dat de minister, zoals ter zitting nader is toegelicht, bij het nemen van een beslissing op een verzoek om een</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>vergunning tot verblijf, uitsluitend rekening houdt met een in de omslag van  het (toelatings)dossier in kwestie gevoegd en – in weerwil van voornoemd beleid – ingewilligd verzoek om dispensatie van het uitlandigheidsvereiste, leidt evenmin tot het oordeel dat appellant geen geslaagd beroep kan doen    op het vertrouwensbeginsel. Dit betreft immers de interne administratieve afhandeling van het verzoek. Dat die handelwijze in dit geval niet is gevolgd, kan evenmin aan appellant worden   tegengeworpen.</para>
      <para>Gelet op het voorgaande, heeft de minister het verzoek    van</para>
      <para>30 november 2017 ten onrechte afgewezen wegens het niet voldoen aan het uitlandigheidsvereiste.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen voor het overige is   aangevoerd, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht zou behoren te doen zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de beschikking van 24 maart 2018 vernietigen en bepalen dat de minister binnen vier weken na dagtekening van deze uitspraak een  nieuwe  – voor  appellant  gunstige -  beschikking  neemt  op het  verzoek van 30 november 2017. De opdracht tot het nemen van een begunstigende beschikking op de aanvraag hangt daarmee samen dat de minister ter zitting heeft aangegeven dat zich geen andere  weigeringsgronden    voordoen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten  te worden veroordeeld.</para>
      <para>9. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <para>
        <emphasis role="underline">verklaart </emphasis>het hoger beroep  <emphasis role="underline">gegrond;</emphasis></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        <emphasis role="underline">vernietigt </emphasis>de uitspraak van het Gerecht van 8 augustus 2019 in zaak  nr.  CUR201801163;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        <emphasis role="underline">verklaart </emphasis>het in die zaak ingestelde beroep   <emphasis role="underline">gegrond;</emphasis></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        <emphasis role="underline">vernietigt </emphasis>de beschikking van 24 maart  2018;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        <emphasis role="underline">bepaalt </emphasis>dat de minister van Justitie binnen vier weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe – voor [appellant] gunstige – beschikking op het verzoek van 30 november 2017 neemt;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        <emphasis role="underline">veroordeelt </emphasis>de minister van Justitie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten ten bedrage van NA<emphasis role="italic">f </emphasis>2.800,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        <emphasis role="underline">gelast </emphasis>dat de minister van Justitie aan appellant het door hem    voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht  ten  bedrage  van  NA<emphasis role="italic">f</emphasis>.  350,00 vergoedt;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van</para>
        <para>mr. D. Meyer-de Beer, griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>w.g. Saleh</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>w.g. Meyer-de Beer</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>BIJLAGE Wettelijk kader Landsverordening toelating en uitzetting</para>
        <para>Artikel 9</para>
        <para>“1. De vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf kan door of namens de</para>
        <para>Minister van Justitie worden geweigerd:</para>
        <para>a. met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden  begrepen;</para>
        <para>[…].”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Herziene instructie inzake de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van juni 2006</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“[…]</para>
      </parablock>
      <paragroup>
        <nr>3.1.1</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="bold">Beleid eerste aanvraag vergunning tot tijdelijk verblijf</emphasis>
          </para>
          <para>Verzoeken van vreemdelingen voor eerste toelating tot de Nederlandse Antillen dienen in het buitenland te worden afgewacht. Indien de vreemdeling reeds illegaal op de Nederlandse Antillen verblijft kan zijn aanvraag  worden  afgewezen  op grond van  artikel  9  van de LTU.</para>
          <para>[…].”</para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>