<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2020:224</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-01T17:24:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR2019H00339</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:224">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:224</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-01T17:24:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2020:224 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 14-09-2020 / CUR2019H00339</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:224:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bij brief van 8 september 2017 heeft de minister een verzoek van appellanten tot aankoop van de door hen gehuurde volkswoning afgewezen. Naar het oordeel van het Hof heeft de minister het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Een beslissing over de verkoop van een volkswoning zoals hier aan de orde is een beschikking ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder f, van de Lar, gelezen in samenhang met artikel 55, kan tegen een zodanige beschikking geen bezwaar worden gemaakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:224:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="57382b6b-03fe-489a-9002-fa3f89531abb" depth="90" width="250" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>CUR2019H00339</para>
      <para>Datum uitspraak: 24 september 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN</para>
      <para>EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN  SABA</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep  van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. [appellant],  wonende  te Curaçao</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. [appellante],  wonende  te Curaçao</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellanten</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 15  augustus 2019 in zaak nr. CUR201800752, in het geding    tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>appellanten</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: de minister).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 8 september 2017 heeft de minister een verzoek van  appellanten tot aankoop van de door hen gehuurde volkswoning, gelegen aan de [locatie] in Brievengat, afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikking van 11 januari 2018 heeft de minister het door appellanten daartegen  gemaakte bezwaar  niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 15 augustus 2019 heeft het Gerecht het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond  verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift   ingediend.</para>
      <para>Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 augustus 2020, waar appellanten, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.A.P.H. Pols en mr.  H.M. van Rossum, beiden  advocaat,  zijn  verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Op grond van artikel 7, eerste lid, eerste volzin, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen die door een beschikking in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het   Gerecht.</para>
      <para>Op grond van het tweede lid, aanhef en onder f, staat geen beroep open tegen een beschikking ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling, met uitzondering van een beschikking houdende  weigering van de goedkeuring van een dergelijke    beschikking.</para>
      <para>Op grond van artikel 55 zijn de personen, bedoeld in artikel 7,    eerste lid, bevoegd een bezwaarschrift in te dienen bij het bestuursorgaan    dat de beschikking heeft genomen, en het beroep pas in te stellen nadat het bestuursorgaan op  het bezwaarschrift heeft   beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Bij brief van 8 september 2017 heeft de minister een verzoek van appellanten tot aankoop van de door hen gehuurde volkswoning, gelegen aan de [locatie] in Brievengat, afgewezen. Bij de beschikking van 11 januari 2018 heeft de minister het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar</para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard.  Daaraan is ten grondslag gelegd dat de brief van   8 september 2017 een beschikking ter voorbereiding van een  privaatrechtelijke rechtshandeling behelst, waartegen geen bezwaar en  beroep openstaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Het Gerecht heeft het beroep van appellanten ongegrond    verklaard, met verbetering van de motivering van de beschikking op bezwaar van 11 januari 2018. Het in de brief van 8 september 2018 neergelegde standpunt van de minister, hier optredend als vertegenwoordiger van het    land Curaçao, is volgens het Gerecht civielrechtelijk van aard en een rechtsgeschil    daarover behoort tot de competentie van de civiele rechter.</para>
      <para>4. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Appellanten betogen in hoger beroep dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Desgevraagd hebben zij ter zitting toegelicht dat de verkoop van volkswoningen zoals hier aan de orde een administratieve aangelegenheid is, omdat de voorwaarden voor het verkrijgen van een volkswoning in eigendom zijn neergelegd in de Eilandsverordening eigendomsverkrijging volkswoningen Curaçao  (AB  1962,  no.  13  en  zoals  gewijzigd  bij  AB  1989,  no.  39;  hierna: de Eilandsverordening). In dit verband verwijzen zij ook naar de uitspraak van (de civiele kamer van)  het  Gerecht  van  27  mei 2019, ECLI:NL:OGEAC:2019:149.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het Hof is van oordeel dat een beslissing over de verkoop van een volkswoning zoals hier aan de orde een beschikking is ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Het Hof is, anders dan het Gerecht,  van oordeel dat de brief van 8 november 2017 een publiekrechtelijke rechtshandeling is (inhoudende een beschikking). Maar dat baat appellanten niet, omdat die beschikking ziet op het (al dan niet) sluiten van een koopovereenkomst en dus op een privaatrechtelijke rechtshandeling. Op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder f, van de Lar, gelezen in samenhang met artikel 55, kan tegen een zodanige beschikking geen     bezwaar worden gemaakt. De omstandigheid dat de voorwaarden voor het verkrijgen van een volkswoning in eigendom zijn neergelegd in de Eilandsverordening, doet aan het feit dat de door appellanten beoogde koopovereenkomst een privaatrechtelijke rechtshandeling is, niet af. De minister heeft het door appellanten tegen de brief van 8 september 2017 gemaakte bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op het voorgaande kan de uitspraak van het Gerecht van 27 mei 2019 (ECLI:NL:OGEAC:2019:149), anders dan appellanten hebben betoogd, niet worden  gevolgd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen   aanleiding.</para>
      <para>9. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. drs. T.G.M. Simons en mr. J.E.M. Polak, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Meyer-de Beer, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>w.g. Saleh</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>w.g. Meyer-de Beer</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2020</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>