<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2020:120</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-11T14:24:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-05-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA2019H00163</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:120">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2020:120</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-05-11T14:24:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-05-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2020:120 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 05-05-2020 / AUA2019H00163</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:120:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Regulier ontslag als ambtenaar zet verzoek om ontslag op grond van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding niet opzij. Proceskostenveroordeling in beroep. Teruggave griffierecht beroep.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2020:120:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>AUA2019H00163</para>
  <para>Datum uitspraak: 5 mei 2020</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="caps">gemeenschappelijk hof van jusTitie </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="caps">van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="caps">EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep van:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>[Naam],</para>
    <para>appellant,</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 17 juni 2019 in zaak nr. AUA201802620, in het geding tussen:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>appellant</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>de Beoordelingscommissie vrijwillige uitdiensttreding (de Commissie).</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Procesverloop</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij beschikking van 11 december 2015 heeft de Commissie een verzoek van appellant om hem met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Landsverordening vrijwillige uitdiensttreding (hierna: de Lvu) eervol ontslag te verlenen, afgewezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij beschikking van 13 juli 2018 heeft de Commissie het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij uitspraak van 17 juni 2019 (ECLI:NL:OGEAA:2017:1060) heeft het Gerecht het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, die beschikking vernietigd en het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2019, waar appellant, bijgestaan door mr. H.G. Figaroa, en de Commissie, vertegenwoordigd door A. Lumenier, werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para> <emphasis role="underline">Overwegingen</emphasis></para>
    <para> Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: de Lma) is ambtenaar in de zin van die landsverordening en de uit kracht daarvan gegeven voorschriften, hij, die door het bevoegde gezag is benoemd of aangesteld in openbare dienst om in Aruba werkzaam te zijn.<?linebreak?>	Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Lvu, kunnen ambtenaren en overheidswerknemers gedurende een bij landsbesluit vast te leggen periode van twee maanden  een verzoek doen om in aanmerking te komen voor eervol ontslag, respectievelijk tussentijdse beëindiging van de arbeidsovereenkomst, onder gelijktijdige toekenning van in deze landsverordening nader omschreven bijzondere aanspraken.<?linebreak?>	Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) wordt in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een beschikking is betrokken.<?linebreak?>	Op grond van artikel 9, eerste lid, kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen.</para>
    <para> Appellant heeft op 13 november 2015 een verzoek tot vrijwillige uitdiensttreding ingediend, ingaande 1 januari 2016. Dit verzoek is bij de beschikking van 11 december 2015 door de Commissie afgewezen. Op 17 december 2015 heeft appellant hiertegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 28 december 2015, gericht aan de minister van Justitie, heeft appellant eervol ontslag verzocht met ingang van 1 januari 2016. Bij landsbesluit van 14 april 2016 is dat ontslag hem verleend.</para>
    <para> In de beschikking op bezwaar van 13 juli 2018 heeft de Commissie zich op het standpunt gesteld dat appellant op het tijdstip van heroverweging van de beschikking van 11 december 2015 niet meer kon worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Lma en daardoor ook niet meer als belanghebbende in de zin van artikel 9, gelezen in samenhang met artikel 3, van de Lar.</para>
    <para> Het Gerecht heeft overwogen dat appellant nog wel belanghebbende is, zodat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Maar omdat appellant op het tijdstip van heroverweging geen ambtenaar meer was, is het verzoek van11 december 2015 bij de beschikking van 13 juli 2018 terecht afgewezen.   </para>
    <para> Ter zitting in hoger beroep heeft de Commissie, met verwijzing naar de uitspraak van het Hof van 20 november 2008 (ECLI:NL:OGHNAA:BH1284), het standpunt ingenomen dat het Gerecht het bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard.</para>
    <para> Het Hof stelt het volgende voorop. In het stelsel van de Lvu is uitgangspunt dat het verzoek wordt ingewilligd, tenzij zich de in artikel 15, tweede lid, van de Lvu bedoelde weigeringsgrond voordoet. Uit deze wettelijke systematiek vloeit voort dat bij de toepassing van de artikelen 2, eerste lid, en 15, tweede lid, van de Lvu moet worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van het verzoek. Dat geldt, anders dan in de uitspraak van 20 november 2008 is overwogen, derhalve ook in bezwaar. Dat in het voorliggende geval appellant na de afwijzende beschikking van 11 december 2015 ervoor heeft gekozen te verzoeken om een “regulier” ontslag op eigen verzoek en dat dit ontslag hem voorafgaand aan de beschikking op bezwaar van 13 juli 2018 is verleend, is daarom niet van belang. Het Hof merkt verder nog op dat, eveneens anders dan in de uitspraak van 20 november 2018 is overwogen, aan de redenen die aan het verzochte ontslag ten grondslag liggen, geen betekenis toekomt. Ter zitting in hoger beroep heeft de Commissie desgevraagd ook bevestigd dat bij haar beoordeling geen rol speelt of het ontslag wel of niet wordt gevraagd met het oog op vervulling door de verzoeker van een andere dienstbetrekking.</para>
    <para> Het Hof overweegt vervolgens dat op grond van de nu beschikbare gegevens niet kan worden beoordeeld of het Gerecht het bezwaar van appellant tegen de beschikking van 11 december 2015 terecht ongegrond heeft verklaard. Die beschikking is immers niet feitelijk onderbouwd en in bezwaar heeft geen inhoudelijke (her)beoordeling plaatsgehad. Het Hof zal daarom de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen. De Commissie moet een nieuwe, inhoudelijke, beschikking nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van wat het Hof heeft overwogen in zijn uitspraken van 14 februari 2019 (ECLI:NL:OGHACMB:2019:219 en ECLI:NL:OGHACMB:2019:221).</para>
    <para> Het Hof stelt voorts vast dat het Gerecht het bij hem ingestelde beroep gegrond heeft verklaard, maar de Commissie niet heeft veroordeeld in de bij appellant in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten en niet de teruggave heeft gelast van het door appellant voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht. De uitspraak van het Gerecht wordt daarom ook in zoverre vernietigd. Het Hof bepaalt dat de Commissie wordt veroordeeld in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten en gelast de teruggave van het door appellant voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht.</para>
    <para> 9. 	De Commissie moet tevens in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld.   <emphasis role="underline">Beslissing</emphasis></para>
  </parablock>
  <para>Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>I. <emphasis role="underline">verklaart</emphasis> het hoger beroep <emphasis role="underline">gegrond</emphasis>;</para>
    <para>II. <emphasis role="underline">vernietigt</emphasis> de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba 	van 17 juni 2019 in zaak nr. AUA201802620, voor zover daarbij het 	bezwaar van appellant tegen de beschikking van de Commissie van 	11 december 2015 ongegrond is verklaard en voor zover daarbij is 	nagelaten de 	Commissie te veroordelen in de door appellante in 	verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten 	en te gelasten dat de Commissie het door appellante voor de 	behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt;</para>
    <para>III. <emphasis role="underline">bepaalt</emphasis> dat de Commissie met inachtneming van deze uitspraak een 	nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van appellant;</para>
    <para>IV. <emphasis role="underline">veroordeelt</emphasis> de Commissie in de door appellant in verband met de 	behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte 	proceskosten tot een bedrag van Afl. 2.800,00 (zegge: tweeduizend 	achthonderd gulden), geheel toe te rekenen aan een door een derde 	beroepsmatig verleende rechtsbijstand;</para>
    <para>V. <emphasis role="underline">gelast</emphasis> de teruggave aan appellant van het door hem in verband met 	de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde 	griffierecht ten bedrage van Afl. 100,00 (zegge: honderd gulden);</para>
    <para>VI. <emphasis role="underline">bevestigt</emphasis> de uitspraak voor het overige.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus vastgesteld door mr. mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>w.g. Saleh</para>
            <para>voorzitter</para>
          </entry>
          <entry>
            <para>w.g. Beerse</para>
            <para>griffier</para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 5 mei 2020</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>