<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2019:83</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-11T13:54:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA201701556 (voorheen E.J. 1525/2017) AUA2018H00189</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2019:83">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2019:83</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-11T13:36:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2019:83 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 16-04-2019 / AUA201701556 (voorheen E.J. 1525/2017) AUA2018H00189</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2019:83:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>evenredige berekening kinderalimentatie naar draagkracht ouders</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2019:83:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beschikking in de zaak van</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[APPELLANT],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende in Aruba,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>oorspronkelijk verweerder, thans appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S.O.R.’G. Faarup,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[GEÏNTIMEERDE],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende in Aruba,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>oorspronkelijk verzoekster, thans geïntimeerde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. N.S. Gravenstijn,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De vader en de moeder zijn de ouders van:</para>
      <para>[kind 1],</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] geboortejaar in Colombia,</para>
      <para>hierna te noemen: het kind.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het Hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van 26 september 2017 met zaaknummer EJ 1525/2017 AUA201701556. De inhoud van die beschikking geldt als hier ingevoegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De vader heeft in een beroepschrift, ingekomen op 4 oktober 2018, hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. De vader is in eerste aanleg niet verschenen en de beschikking is hem op 7 september 2018 door de deurwaarder betekend, het beroep is dus tijdig ingesteld. In het beroepschrift heeft hij het hoger beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en het verzoek van de moeder alsnog zal afwijzen, kosten rechtens.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De moeder heeft op 19 maart 2019 en de vader op 21 maart 2019 aanvullende producties ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Op 25 maart 2019 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden, enerzijds mr. A.E.A. Hernandez, occuperend voor mr. Faarup, en anderzijds mr. Gravenstijn. De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Beschikking is bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De gronden van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Het kind is geboren met een medische conditie, waardoor zijn behoeften relatief groot zijn. In eerste aanleg heeft de moeder deze gesteld op Afl. 1.285,-. Het GEA heeft, overeenkomstig het verzoek, de vader die niet was verschenen, veroordeeld tot betaling van Afl. 1.000,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Hiertegen richt zich het hoger beroep van de vader.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>In hoger beroep heeft de moeder gesteld dat de kosten van het kind hoger zijn geworden omdat het naar een particuliere school gaat (kosten: Afl. 1.574,66 per maand), in plaats van naar een openbare school (het Colegio Arubano). De moeder heeft echter haar verzoek niet vermeerderd in hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De kosten die ten laste van de vader kunnen worden gebracht behoren redelijk te zijn. Het Hof betwijfelt of, gelet op de draagkracht van de beide ouders (zie hierna), de keuze van de moeder voor een particuliere school verantwoord is. Het Hof zal daarom blijven uitgaan van de behoeften van het kind van ca. Afl. 1.285,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Het inkomen van de moeder is, gelet op de overgelegde loonstrookjes, netto ca. Afl. 4.400,- per maand, met als bijzondere lasten: hypothecaire lasten ad Afl. 1.300,-, ter zake van een lening van Island Finance Afl. 437,- en ter zake van DUO Afl. 300,-. Zij houdt dus over ca. Afl. 2.350,-. De moeder woont niet samen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Het netto-inkomen van de vader is, gelet op de overgelegde loonstrookjes, ca. Afl. 3.600,-, met als bijzondere lasten Afl. 1.000,-, zijnde de helft van de hypothecaire lasten (hij woont samen), en ter zake van DUO Afl. 325,-. De vader heeft twee andere kinderen (een tweeling) deels te zijner laste. De vader zal niet meer dan ca. Afl. 1.700,- over houden. Echter, zoals overwogen, woont de vader samen, zodat veel lasten worden gedeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De vader dient in beginsel (1.700/4.050) x 1.285 = ca. Afl. 540,- van de behoeften van het kind te dragen. Ermee rekening houdende dat de vader in tegenstelling tot de moeder samen woont, zal het Hof de vader veroordelen tot betaling van Afl. 575,- per maand. Het Hof overweegt nog dat ook als de behoeften van het kind groter zijn dan genoemd bedrag van Afl. 1.285,- (zie hiervóór rov. 3.3) de draagkracht van de vader geen hogere bijdrage toelaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>De bestreden beschikking was uitvoerbaar bij voorraad. De moeder is echter niet tot terugbetaling in staat. Het Hof zal daarom ter zake een voorziening treffen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>De kosten worden gecompenseerd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- vernietigt de bestreden beschikking, en opnieuw rechtdoende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- veroordeelt de vader met ingang van 1 mei 2019 tot betaling van Afl. 575,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging van het kind;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- bepaalt de bijdrage tot 1 mei 2019 op hetgeen de vader heeft betaald of op hem is verhaald;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- wijst af het meer of anders verzochte;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, M.W. Scholte en H.J. Fehmers, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2019 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>