<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2019:231</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-06T09:48:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA201801897 en AUA2019H00148</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2019:231">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2019:231</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-06T09:46:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2019:231 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 10-12-2019 / AUA201801897 en AUA2019H00148</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2019:231:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Schadevergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2019:231:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2019					</para>
    <para>Registratienummers: AUA201801897 en AUA2019H00148 </para>
    <para>Uitspraak: 10 december 2019</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>B E S C H I K K I N G</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[APPELLANTE],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende in Aruba,</para>
      <para>oorspronkelijk verzoekster, </para>
      <para>thans appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr. D.G. de Sousa Croes,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de publiekrechtelijke rechtspersoon </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">HET LAND ARUBA,</emphasis>
      </para>
      <para>zetelend in Aruba,</para>
      <para>oorspronkelijk verweerder, </para>
      <para>thans geïntimeerde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.P. Jansen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna [appellante] en het Land genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij op 17 juli 2019 ingekomen beroepschrift met een productie is [appellante] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 18 juni 2019 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: GEA).  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>In dat beroepschrift heeft [appellante] beroepsgronden geformuleerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof de beschikking waarvan beroep deels zal vernietigen en opnieuw rechtdoende een schadevergoeding die tenminste gelijk is aan zes maanden salaris aan [appellante] zal toekennen, kosten rechtens.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Het Land heeft geen verweerschrift ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Op de mondelinge behandeling ter zitting van het Hof in Aruba op 22 oktober 2019 is [appellante] met haar gemachtigde verschenen. Namens het Land was de gemachtigde aanwezig. Alle aanwezigen hebben het woord gevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Aansluitend is beschikking aangezegd en nader bepaald op heden.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De ontvankelijkheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [appellante] daarin kan worden ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De gronden van het hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de inhoud van de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het GEA heeft in rov. 2.1 tot en met 2.8 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld. Tegen de juistheid van deze feiten zijn geen beroepsgronden aangevoerd. Het Hof zal dan ook van dezelfde feiten uitgaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2	[</nr>
      <para>appellante] heeft het GEA verzocht - uitvoerbaar bij voorraad - voor recht te verklaren dat het door het Land gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, alsmede het Land te veroordelen tot wedertewerkstelling en het loon vanaf februari 2018 te betalen zolang het dienstverband rechtsgeldig bestaat, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van het Land in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Het GEA heeft het Land bevolen de dienstbetrekking met [appellante] te herstellen met ingang van 1 februari 2018 en verder, voor zover het Land de dienstbetrekking met [appellante] niet herstelt, aan [appellante] een vergoeding toegekend ten laste van het Land van Afl. 11.500,- (bruto). Het GEA heeft ten aanzien van de schadevergoeding als volgt overwogen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rekening houdend met de omstandigheid dat het voor [appellante] evident was dat haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was - de einddatum stond namelijk op haar salarisstrook - en gezien haar leeftijd, zal het gerecht het Land gelasten de dienstbetrekking te herstellen met bepaling dat de verplichting tot herstel vervalt als een vergoeding van een bedrag gelijk aan circa 2 maanden loon wordt betaald. Het gerecht zal de vergoeding vaststellen op Afl. 11.500,- (bruto).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Het hoger beroep richt zich tegen de hoogte van de schadevergoeding en in het bijzonder tegen voormelde rechtsoverweging. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Het Land heeft ter zitting het volgende aangevoerd. Het Land heeft geen hoger beroep ingesteld. In een andere zaak is een soortgelijk vonnis van het GEA door het Hof vernietigd en is de vordering volledig afgewezen. Onderhavige zaak moet in volle omvang aan het Hof worden voorgelegd met inachtneming van voormeld Hofvonnis. Dit betoog faalt omdat [appellante], die slechts hoger beroep heeft ingesteld tegen de hoogte van de schadevergoeding er gelet op het verbod van reformatio in peius in hoger beroep niet slechter voor mag komen te staan dan wanneer zij geen hoger beroep had ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6	[</nr>
      <para>appellante] stelt dat het GEA onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat zij reeds 55 jaar was ten tijde van het ontslag, 4 jaren voor het Land heeft gewerkt en voorts zonder geldige reden vroegtijdig is ontslagen. [appellante] stelt onder verwijzing naar de overgelegde uitspraken van het GEA in de zaken [naam 1] tegen het Land en [naam 2] tegen het Land, die volgens haar als vergelijkbare gevallen moeten worden aangemerkt, dat een vergoeding van 6 maanden salaris op zijn plaats is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>Het hoger beroep faalt. Het GEA heeft bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding rekening gehouden met de leeftijd van [appellante] en met de lengte van het dienstverband. Anderzijds heeft het GEA in aanmerking genomen dat het voor [appellante] bekend was dat haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd was. Het Hof sluit zich aan bij de overweging van het GEA als weergegeven onder 4.3. [appellante] heeft in hoger beroep geen omstandigheden aangevoerd die tot een andere conclusie moeten leiden. Of de door [appellante] - pas ter terechtzitting genoemde - gevallen gelijk zijn, kan verder in het midden blijven. Ook indien het gelijke gevallen betreft, brengt dat immers niet zonder meer mee dat het aan [appellante] toegekende bedrag onredelijk is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>De bestreden beschikking zal worden bevestigd. [appellante] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">BESLISSING</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Het Hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>bevestigt de bestreden beschikking;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden begroot op nihil.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en M.B. van den Enden, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 10 december 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>