<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2019:206</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-08T11:17:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR2018H00045</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2019:206">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2019:206</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-08T11:17:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2019:206 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 08-04-2019 / CUR2018H00045</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2019:206:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet gegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2019:206:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Datum uitspraak: 8 april 2019</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="caps">gemeenschappelijk hof van jusTitie </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="caps">van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="caps">ENVAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het verzet (artikel 79, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel  80 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar)) van:</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. de naamloze vennootschap RHM Management and</para>
  <para>	Investment Company N.V.,</para>
  <para>2. de besloten vennootschap Continual B.V.,</para>
  <para>3. de naamloze vennootschap Carribean Cash Services N.V.,</para>
  <para>4. de besloten vennootschap Bignet B.V.,</para>
  <para>5. de besloten vennootschap Joyfields International B.V. en</para>
  <para>6. de besloten vennootschap Horizon Financing Curaçao B.V.,</para>
  <para>	opposanten,</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>tegen de uitspraak van de voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Curaçao, van 4 februari 2019 in zaken nrs. CUR2018H00457 t/m 462 en CUR2018H00463, in het geding tussen:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>opposanten</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (de CBCS). </para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Procesverloop</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij uitspraak van 4 februari 2019 heeft de voorzitter van het Hof het door opposanten tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 12 november 2018 (ECLI:NL:OGEAC:2018:281) ingestelde hoger beroep  met toepassing van artikel 79, vierde lid, van de Lar niet-ontvankelijk verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Daartegen hebben opposanten verzet gedaan. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2019, waar opposanten, vertegenwoordigd door mrs. M.F. Bonapart en G.P. Roth, beiden advocaat, zijn verschenen. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para> <emphasis role="underline">Overwegingen</emphasis></para>
    <para> De voorzitter van het Hof heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat opposanten met het hoger beroep feitelijk niet in een betere uitgangspositie kunnen geraken en hieruit volgt dat zij geen belang hebben bij een oordeel over de uitspraak van het Gerecht.</para>
    <para> Opposanten hebben in verzet terecht betoogd dat - wel - sprake is van procesbelang bij het hoger beroep. Dat belang is - in elk geval - gelegen in het verkrijgen van een oordeel in hoogste instantie over het rechtskarakter van de aan hen gerichte brieven van de CBCS van 2 mei 2017 en over de beslissing van het Gerecht om de CBCS op te dragen nieuwe en dan inhoudelijke beslissingen te nemen op de bezwaren van opposanten tegen die brieven. </para>
    <para> Het verzet is gegrond, waaruit volgt dat de uitspraak van de voorzitter van het Hof van 4 februari 2019 vervalt.</para>
    <para> Het Hof ziet op na te melden wijze aanleiding tot vergoeding van proceskosten aan opposanten. </para>
    <para> Het Hof wil het hoger beroep behandelen in de week van 11 november 2019. Allereerst zullen nu opposanten in de gelegenheid worden gesteld de gronden van het hoger beroep in te dienen, waarna de CBCS zal worden uitgenodigd een verweerschrift in te dienen. Daarna zal het Hof, ter voorbereiding van de behandeling ter zitting in hoger beroep, aan partijen schriftelijke vragen stellen. Het Hof wijst er verder op dat de door de CBCS te nemen nieuwe beslissingen op de bezwaren van rechtswege deel zullen gaan uitmaken van het geding in hoger beroep. In verband daarmee acht het Hof het wenselijk dat die beslissingen uiterlijk op 1 oktober 2019 worden genomen en meteen aan het Hof worden gestuurd. </para>
    <para> <emphasis role="underline">Beslissing</emphasis></para>
  </parablock>
  <para>Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>I. <emphasis role="underline">verklaart</emphasis> het verzet <emphasis role="underline">gegrond</emphasis>; </para>
    <para>II. <emphasis role="underline">verstaat</emphasis> dat de griffier van het Hof de door opposanten voor de 	behandeling van het verzet gemaakte proceskosten ten bedrage van 	NAf. 1.400,00 <emphasis role="underline">vergoedt</emphasis>. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus vastgesteld door mr. T.G.M. Simons, voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. H.G. Lubberdink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <informaltable>
    <tgroup cols="2">
      <colspec colname="colA" />
      <colspec colname="colB" />
      <tbody>
        <row>
          <entry>
            <para>w.g. Simons</para>
            <para>voorzitter</para>
          </entry>
          <entry>
            <para>w.g. Beerse</para>
            <para>griffier</para>
          </entry>
        </row>
      </tbody>
    </tgroup>
  </informaltable>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2019.</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>