<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2019:184</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-20T14:22:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR2019H00367</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2019:184">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2019:184</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-11-20T14:22:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2019:184 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 31-10-2019 / CUR2019H00367</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2019:184:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>wraking rechter toegewezen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2019:184:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Bestuurszaken over 2019						</para>
    <para>Registratienummer: CUR2019H00367</para>
    <para>Uitspraak: 31 oktober 2019</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beslissing van 31 oktober 2019 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek in de zin van artikel 34 Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE REGERING VAN CURAÇAO, </title>
    <parablock>
      <para>2. <emphasis role="bold">DE STATEN VAN CURAÇAO</emphasis>, te Curaçao, </para>
      <para>hierna respectievelijk ook te noemen: de regering en de staten,</para>
      <para>gemachtigden: mr. A.C. van Hoof en mw. G. Hollander,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>[verzoeker 3],</title>
    <para>4. <emphasis role="bold">[verzoeker 4]</emphasis>,</para>
    <para>5. <emphasis role="bold">[verzoeker 5]</emphasis>, te Curaçao,</para>
    <parablock>
      <para>hierna ook te noemen: <emphasis role="bold">[verzoekers 3 t/m 5]</emphasis>,</para>
      <para>gemachtigden: mrs. M.G. Woudstra en P. Blom,</para>
      <para>verzoekers.</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="underline">1. De procedure</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:</para>
      <para>- het wrakingsverzoek, ingediend op 18 oktober 2019;</para>
      <para>- de schriftelijke reactie van de rechter mr. D. Haan van 21 oktober 2019;</para>
      <para>- de pleitaantekeningen van partijen;</para>
      <para>- de griffiersaantekeningen van de zaak CUR201400565.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Het wrakingsverzoek is op 24 oktober 2014 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>wrakingskamer). Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen de gemachtigden van verzoekers, de rechter en de gemachtigde van wederpartij in de bodemzaak, mr. Henriquez. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De uitspraak is bepaald op heden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">2. Het verzoek</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het verzoek tot wraking is gericht tegen de rechter mr. D. Haan als behandelend rechter, in de zaken met zaaknummers CUR201700200 en CUR201700068.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Namens verzoekers is aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat de rechter, tijdens de zaak HNO op 16 oktober 2019 reeds een oordeel heeft gegeven over de totstandkoming van de Landsverordening herziening Oostpunt (de Landsverordening), terwijl de zaak Oostpunt nog onder de rechter is en er nog geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Die behandeling zou op 18 oktober 2019 plaatsvinden. Tevens heeft de rechter de zaak Oostpunt ten onrechte meerdere keren ter sprake gebracht tijdens de zitting van de zaak HNO, wat indruist tegen een juiste procesrechtelijke gang van zaken. Nu de rechter voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zitting - nota bene tijdens een andere niet gerelateerde zitting – zijn standpunt heeft gegeven over een voor de zaak Oostpunt relevante rechtsvraag, is de vrees gerechtvaardigd dat de rechter niet onpartijdig staat in de aanhangige procedure, althans dat in ieder geval de schijn van vooringenomenheid is gewekt..</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De rechter berust niet in de wraking. In zijn schriftelijke reactie stelt hij zich op het standpunt dat de eerdere beantwoording van een rechtsvraag, waarbij enig partijbelang geen enkele rol heeft gespeeld, niet kan leiden tot het oordeel van vrees voor partijdigheid in zaken waarin de rechtsvraag opnieuw beantwoord moet worden door dezelfde rechter. De bewering dat de rechter een voorschot heeft genomen op zijn aanstaande oordeel is onjuist, omdat hij partijen in de zaak HNO de gelegenheid heeft gegeven zich schriftelijk nader uit te laten, mede over de rechtsvraag. Hij heeft tijdens de zaak HNO slechts zijdelings aan de zaak Oostpunt gerefereerd, wat overigens nogal voor de hand lag, omdat mr. Woudstra en mevrouw Hollander van het betrokken ministerie en overigens ook mr. Henriquez in de zaak Oostpunt zouden optreden.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">3. De beoordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Op grond van artikel 34, lid 1 Landsverordening administratieve rechtspraak kan de zittende rechter door partijen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden die het vormen van een onpartijdig oordeel zouden belemmeren. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft bij verzoekers in het onderhavige geval een – geobjectiveerde – vrees van vooringenomenheid kunnen ontstaan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op de zich in dossier bevindende stukken en het verhandelde ter zitting stelt de wrakingskamer vast dat tijdens de behandeling van de zaak HNO de rechter gerefereerd heeft aan de zaak Oostpunt, welke zaak op een later moment door de rechter behandeld zou worden. Verzoekers hebben in het verzoekschrift opgenomen dat de rechter daarbij onder meer heeft gezegd: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“In de zaak Oostpunt is het ontwikkelingsplan vastgesteld bij landsverordening, naar mijn mening is dat niet juist maar dient dit te geschieden bij Lb Ham, maar dat zullen wij vrijdag a.s. samen bespreken”. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechter heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij zich tijdens de behandeling van de HNO-zaak in dergelijke bewoordingen heeft uitgelaten, maar dat hij daarmee geen oordeel heeft gegeven over de totstandkoming van de Landsverordening omdat partijen in die HNO-zaak nog de gelegenheid hadden zich daarover uit te laten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De wrakingskamer stelt voorop dat het enkele feit dat een rechter een voorlopig oordeel geeft tijdens de behandeling van een zaak, niet zonder meer de vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigt. Echter nu de rechter in stellige bewoordingen en, zoals is gebleken tijdens de mondelinge behandeling van het wrakinsgverzoek, weloverwogen zijn mening heeft gegeven over een rechtsvraag die in de Oostpuntzaak speelt tijdens de behandeling van een andere zaak (de HNO zaak), waarin verzoekers [verzoekers 3 t/m 5] niet als partij optraden, heeft bij verzoekers in het onderhavige geval een – geobjectiveerde – vrees van vooringenomenheid kunnen ontstaan. Door deze gang van zaken kan bij verzoekers immers de indruk zijn gewekt dat de rechter zijn oordeel over de zaak reeds voor de behandeling had gevormd en niet openstond voor argumenten die in een andere richting wijzen. Dit geldt te meer, nu niet blijkt van enige noodzaak voor de rechter om zich voorlopig oordelend uit te laten over een rechtsvraag in de Oostpuntzaak buiten de aanwezigheid van verzoekers [verzoekers 3 t/m 5] Dat de rechter ook te kennen heeft gegeven dat de rechtsvraag twee dagen later op vrijdag 18 oktober 2019 zou worden besproken, is onvoldoende om deze vrees weg te nemen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Het wrakingsverzoek is, gelet op het voorgaande, gegrond en zal mitsdien worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. B E S L I S S I N G</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De wrakingskamer:</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst het verzoek tot wraking van mr. D. Haan toe;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>bepaalt dat de procedure verder zal worden behandeld door een andere rechter en beveelt dat het onderzoek ter zitting wordt voortgezet op een nader te bepalen tijdstip;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekers, mr. Henriquez, en aan de rechter.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen mr. M. Soffers, leden van de wrakingskamer van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 31 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Datum uitspraak: 31 oktober 2019	</para>
        <para>Instantie: het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van<emphasis role="caps"> ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN </emphasis><?linebreak?><emphasis role="caps">VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA</emphasis></para>
        <para>Zaaknummer: CUR2019H00367</para>
        <para>Inhoudsindicatie: wraking rechter toegewezen</para>
        <para>Formele relaties (optioneel):</para>
        <para>Rechtsgebieden: bestuur</para>
        <para>Rechters: mrs. J.J. Verhoeven, A.J.H. van Suilen, M. Soffers</para>
        <para>Bijzondere kenmerken:</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>