<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2018:93</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-13T16:41:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-01-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AR 74795/15 - H 99/17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2018:93">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2018:93</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-13T16:41:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2018:93 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 23-01-2018 / AR 74795/15 - H 99/17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2018:93:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Curaçao. Toezicht op naleving welstandsbepalingen. Griffierecht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2018:93:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2018						Vonnis no.:</para>
    <para>Registratienummer: AR 74795/15 - H 99/17</para>
    <para>Uitspraak: 23 januari 2018</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V O N N I S</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. <emphasis role="bold">[APPELLANT 1], </emphasis></para>
    <para>2. <emphasis role="bold">[APPELLANTE 2],</emphasis></para>
    <parablock>
      <para>beiden wonende in Curaçao,</para>
      <para>oorspronkelijk eisers,</para>
      <para>thans appellanten in het principaal appel,</para>
      <para>geïntimeerden in het incidenteel appel, </para>
      <para>procederende in persoon,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de openbare rechtspersoon</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">ALGEMEEN PENSIOENFONDS VAN CURAÇAO,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd in Curaçao,</para>
      <para>oorspronkelijk gedaagde,</para>
      <para>thans geïntimeerde in het principaal appel,</para>
      <para>appellant in het incidenteel appel, </para>
      <para>gemachtigden: mrs. P.M. Noordhoek en L.M. Virginia.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna [appellant 1], [appellante 2] en APC genoemd. [appellant 1] en [appellante 2] worden gezamenlijk ook [appellanten] genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij akte van appel van 5 september 2016 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 25 juli 2016 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Bij op 17 oktober 2016 ingekomen memorie van grieven, met producties, hebben [appellanten] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en hun vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van APC in de proceskosten in beide instanties. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Bij memorie heeft APC de grieven bestreden en incidenteel appel ingesteld. Zijn conclusie strekt ertoe, naar het Hof begrijpt, dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, althans uitsluitend rov. 4.8 ervan zal vernietigen, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Een memorie van antwoord in het incidenteel appel is niet ingekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Op 5 december 2017 hebben partijen pleitnotities overgelegd. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De vordering van [appellanten] strekt ertoe, verkort weergegeven, dat de overeenkomst wordt vernietigd waarbij zij op 21 augustus 2002 een perceel grond hebben gekocht voor de prijs van NAf 145.140,00 (dat zij inmiddels hebben bebouwd en thans bewonen), subsidiair dat de gevolgen ervan worden gewijzigd doordat de prijs wordt verminderd tot een door de rechter te bepalen bedrag, en dat APC wordt veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat. Over de schade hebben [appellanten] bij inleidend verzoekschrift gesteld dat die in ieder geval uit de volgende schadeposten bestaat (maar daartoe niet beperkt is): waarde(daling) van de woning, voortdurende derving woongenot en boeten conform art. 16 van de koopakte. De koopakte vermeldt in art. 16 een boete van NAf 10.000,00 per overtreding. In een brief van 14 mei 2010, waarnaar het inleidend verzoekschrift ook verwijst, maakt [appellant 1] aanspraak op schadevergoeding van NAf 1.800.000,00 wegens tekortschieten van APC in de verplichting tot handhaving van de welstandsbepalingen jegens een buurtbewoner.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Bij p. 16 en 17 van hun pleitnota in hoger beroep hebben [appellanten] hun gestelde schade nader begroot. Het Hof leidt uit hun opstelling de volgende (minimum)bedragen af:</para>
        <para>Eis 1 (nietigverklaring koop e.d.; dubbeltelling met eis 8)			--</para>
        <para>Eis 2 (boeten i.v.m. karakter wijk)				NAf   50.000,00</para>
        <para>Eis 3 (slachtoffervergoeding)					NAf   50.000,00</para>
        <para>Eis 4 (proceskosten; alleen eerder geding telt hierbij mee) 	NAf   25.400,00</para>
        <para>Eis 5 (erfdienstbaarheid)						NAf   20.000,00</para>
        <para>Eis 6 (toegang tot het strand)					NAf   20.000,00</para>
        <para>Eis 7 (proceskosten onderhavige zaak; tellen hierbij niet mee)		--</para>
        <para>Eis 8 (waardevermindering pand)					NAf 200,000,00</para>
        <para>									------------------- +</para>
        <para>Totaal									NAf 365.400,00</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De griffier stelt zich op het standpunt dat [appellanten] een direct geldelijk belang bij hun vorderingen hebben dat kan worden gewaardeerd op minimaal NAf 365.400,00. Het griffierecht in hoger beroep moet op grond van art. 20 Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken worden getaxeerd op NAf 7.320,00. Er is reeds NAf 900,00 geheven en betaald. Er dient dus NAf 6.420,00 te worden nageheven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4 [</nr>
      <para>appellanten] zullen in de gelegenheid worden gesteld binnen zes weken na heden, dus uiterlijk op 6 maart 2018, het nageheven bedrag te betalen. De zaak zal naar de rol van die datum worden verwezen voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van [appellanten] Aan de akte dient bewijs van betaling van het nageheven bedrag te worden gehecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De heffing van griffierecht strekt niet ter bescherming van enig recht of belang van geïntimeerde. Daarom zal aan APC geen gelegenheid worden geboden om een antwoordakte in te dienen.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>B E S L I S S I N G</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het Hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>verwijst de zaak naar de rol van 6 maart 2018 voor akte uitlating griffierecht aan de zijde van [appellanten];</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 23 januari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>