<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2018:39</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-23T11:31:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-01-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AR 53409 - H 73 en 73a/14</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2018:39">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2018:39</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-23T11:30:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2018:39 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 09-01-2018 / AR 53409 - H 73 en 73a/14</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2018:39:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>aanvullend vonnis</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2018:39:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2018							Vonnisno.:</para>
    <para>Registratienummer: AR 53409 - H 73 en 73a/14</para>
    <para>Uitspraak: 9 januari 2018</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V O N N I S</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap MELBER HOLDING N.V.,</para>
      <para>gevestigd in Curaçao,</para>
      <para>hierna ook te noemen: Melber,</para>
      <para>oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie, thans appellante in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,</para>
      <para>gemachtigde: M.E. Bergland,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>[GEÏNTIMEERDE sub 1],</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>[GEÏNTIMEERDE sub 2],</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <parablock>
      <para>beiden wonende in Curaçao,</para>
      <para>hierna ook te noemen: [geïntimeerde c.s.],</para>
      <para>oorspronkelijk gedaagden in conventie, eisers in reconventie, thans geïntimeerden in principaal appel, appellanten in incidenteel appel,</para>
      <para>gemachtigde: mr. G.A. Mercalina.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In deze zaak heeft het Hof op 11 november 2014 vonnis gewezen. Dit vonnis is door de Hoge Raad vernietigd bij arrest van 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511, NJ 2016/325. De Hoge Raad heeft verwezen naar het Hof. Op 29 augustus 2017 heeft het Hof opnieuw vonnis gewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 13 november 2017 heeft [geïntimeerde c.s.] een aanvulling van het vonnis van 29 augustus 2017 verzocht ingevolge artikel 66a Rv, met producties.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 11 december 2017 heeft Melber een antwoord-akte genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Vonnis is bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.5. </nr>
      <parablock>
        <para>[geïntimeerde c.s.] verzoekt, bij wijze van aanvulling van het vonnis van 29 augustus 2017, het bedrag waartoe [geïntimeerde c.s. ]veroordeeld is te verminderen met:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">a.</emphasis> NAf 1.976,75 wegens kosten marktindicatie (NAf 876,75) en advocaatkosten (NAf 1.100,--); </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">b.</emphasis> NAf 5.772,51 wegens advocaatkosten met betrekking tot een kort geding.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ad a.</emphasis> Deze kosten zijn door het Hof in het vonnis van het Hof van 11 november 2014 <emphasis role="italic">toegewezen</emphasis> (dictum in verbinding met rov. 3.18 onder b en e en rov. 3.19). In de cassatieprocedure is deze toewijzing niet aan de orde geweest. Zij zijn derhalve na verwijzing opnieuw toewijsbaar. Het Hof zal in zoverre het vonnis van 29 augustus 2017 aanvullen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ad b</emphasis>. Deze kosten zijn in het vonnis van het Hof van 11 november 2014 <emphasis role="italic">afgewezen </emphasis>omdat het Hof over onvoldoende informatie beschikte (rov. 3.18 onder d). In de cassatieprocedure is deze afwijzing niet aan de orde gekomen. Na verwijzing heeft [geïntimeerde c.s.] de kosten opnieuw opgevoerd, voorzien van bewijsstukken, maar dit is in beginsel niet mogelijk. Na cassatie en verwijzing moet de rechter naar wie de zaak is verwezen, deze behandelen in de stand waarin de zaak zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Niet uitgesloten is dat na verwijzing, bij uitzondering, een nadere onderbouwing van een wegens onvoldoende onderbouwing afgewezen vordering toch moet worden toegestaan, ofschoon de onderbouwing in de cassatieprocedure niet aan de orde was. Gedacht moet dan worden aan een onderbouwing die samenhangt met na het door de Hoge Raad vernietigde vonnis voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de nadere onderbouwing ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nadere onderbouwing niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>In het onderhavige geval is van een dergelijk bijzonder geval geen sprake.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van [geïntimeerde c.s.] ten dele (ad a) moet worden ingewilligd en voor het overige (ad b) moet worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>De kosten worden gecompenseerd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Beslissing</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het Hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- bepaalt dat in het dictum van het op 29 augustus 2017 tussen partijen gewezen vonnis, na “Naf 53.975,--,” wordt tussengevoegd: “verminderd met NAf 1.976,75,”;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- bepaalt dat deze aanvulling op de minuut van het vonnis van 29 augustus 2017 wordt gesteld, met een verwijzing naar het onderhavige aanvullende vonnis;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- bepaalt dat de griffie van het Hof een afschrift van het aldus gerectificeerde vonnis van 29 augustus 2017 zal verstrekken aan partijen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- wijst af het meer of anders verzochte;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- compenseert de kosten van deze aanvullingsprocedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Saleh, President, en mrs. J. de Boer en H.J. Fehmers, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 9 januari 2018.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>