<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2018:172</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-06T12:14:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-10-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR201800408 - CUR2018H00184</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2018:172">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2018:172</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-06T15:29:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2018:172 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 16-10-2018 / CUR201800408 - CUR2018H00184</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2018:172:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Appelverbod, geen doorbrekingsgrond, gemachtigde geweigerd</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2018:172:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2018					Beschikking no.:</para>
    <para>Registratienummer: CUR201800408 - CUR2018H00184</para>
    <para>Uitspraak: 16 oktober 2018</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>B E S C H I K K I N G</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[VERZOEKSTER],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende in Curaçao,</para>
      <para>oorspronkelijk verzoekster,</para>
      <para>thans appellante, </para>
      <para>procederend in persoon,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de stichting</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">STICHTING SINT ELISABETH HOSPITAAL,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd in Curaçao,</para>
      <para>oorspronkelijk verweerster,</para>
      <para>thans geïntimeerde, </para>
      <para>gemachtigde: mr. M.C. van Oorsouw-Hofhuis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [verzoekster] en Sehos worden genoemd</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingenvan het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht), wordt verwezen naar de tussen partijen in deze zaak gegeven en op 9 mei 2018 uitgesproken beschikking. De inhoud van de beschikking geldt als hier ingevoegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Bij beroepschrift, ingekomen op 20 juni 2018, met productie, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van die beschikking. Zij heeft geconcludeerd dat het Hof de beschikking zal vernietigen en haar vorderingen integraal zal toewijzen met veroordeling van Sehos in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Sehos heeft een verweerschrift ingediend, met producties, waarin zij heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep, althans bevestiging van de bestreden beschikking.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Op 28 augustus 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoekster] is verschenen, evenals S. Pendjol-Klarenbeek namens het Sehos, bijgestaan door mr. Oorsouw-Hofhuis. Voorafgaand aan de zitting heeft Sehos nog een productie toegezonden. [verzoekster] en de gemachtigde van Sehos hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>De beschikking is bepaald op vandaag.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In eerste aanleg heeft [verzoekster] – kort gezegd – verzocht te beschikken dat haar dienstverband met Sehos tot 1 juni 2020 doorloopt met doorbetaling van loon en dat zij wegens arbeidsongeschiktheid is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden. Sehos heeft bij zelfstandig tegenverzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en Sehos verzocht, eventueel met een (gematigde) vergoeding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het Gerecht heeft de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2018 ontbonden, aan [verzoekster] een ontbindingsvergoeding toegekend van NAf 10.500,-, te verminderen met een eventuele cessantia-uitkering, bepaald dat Sehos aan [verzoekster] een vergoeding zal betalen voor eventuele tot 4 augustus 2017 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen en het meer of anders verzochte afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>In hoger beroep heeft [verzoekster] aangevoerd dat haar verzoeken alsnog integraal moeten worden toegewezen en dat het verzoek van het Sehos tot ontbinding alsnog moet worden afgewezen. Ter zitting heeft [verzoekster] desgevraagd toegelicht dat het door haar ingediende verzoek ertoe strekt dat zij arbeidsongeschikt is geraakt en dat zij volgens de cao recht heeft op doorbetaling van loon en overige emolumenten over een periode van drie jaar. Zij heeft beaamd dat haar loon tot de datum van de ontbinding geheel is doorbetaald en dat zij over de periode tot 1 juni 2018 niets meer te vorderen heeft van Sehos. Dit brengt mee dat [verzoekster] alleen belang heeft bij bespreking van de grieven tegen de afwijzing van het door haar ingediende verzoek indien de beslissing tot ontbinding niet in stand blijft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Tegen een beschikking tot ontbinding staat in beginsel geen hoger beroep open. Volgens vaste jurisprudentie wordt op deze regel een uitzondering gemaakt als:</para>
      <para>a.	de rechter artikel 7A:1615w BW ten onrechte heeft toegepast of buiten het toepassingsgebied van het artikel is getreden,</para>
      <para>b.	het artikel ten onrechte buiten toepassing is gelaten, dan wel,</para>
      <para>c.	zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat van een eerlijke of onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5	 [</nr>
      <para>verzoekster] heeft aangevoerd dat een fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden doordat tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg haar gemachtigde is geweigerd. Dit standpunt wordt verworpen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 15 maart 2018 blijkt dat door het Gerecht tegen mr. E.J. Maduro (hierna: Maduro), die zich daar presenteerde als de gemachtigde van [verzoekster], is gezegd dat hij niet bevoegd was om als advocaat op te treden en dat hij ook niet als zaakwaarnemer is toegelaten, waarna Maduro de zittingszaal heeft verlaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Voor zover [verzoekster] heeft bedoeld dat het Gerecht Maduro niet als gemachtigde had mogen weigeren, wordt dit standpunt verworpen. Maduro is door de Raad van Toezicht op de Advocatuur van de Nederlandse Antillen op 25 augustus 2010 (2009/14-K) geschrapt van de in artikel 2 van de Advocatenlandsverordening 1959 bedoelde lijst van inschrijving. Deze beslissing is bevestigd door de Raad van Appel op 13 december 2010 (RvA 2/2010). Bij beslissing van het Hof van 1 december 2015 (71750/2015 – HAR 19/2015) heeft het Hof het verzoek van Maduro tot herinschrijving als advocaat afgewezen. Op grond van artikel 28a van het Procesreglement 2016 kunnen beroepshalve gemachtigden, niet zijnde advocaten, slechts optreden indien zij in 2013 door het Hof zijn toegelaten als zaakwaarnemers. Gesteld noch gebleken is dat Maduro in deze zaak niet beroepsmatig optreedt en vast staat dat hij niet als zaakwaarnemer is toegelaten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Het Gerecht heeft, zo blijkt verder uit het proces-verbaal, uitdrukkelijk aan [verzoekster] gevraagd of zij zich in staat voelde om de behandeling voort te zetten zonder juridische bijstand, waarop zij bevestigend heeft geantwoord, waarna zij de pleitnota die Maduro had voorbereid heeft overgelegd. Vervolgens heeft Sehos het verweerschrift, waarin het zelfstandig tegenverzoek was opgenomen, overgelegd en toegelicht. [verzoekster] heeft hierop gereageerd. Aan het slot van de zitting heeft het Gerecht de zaak aangehouden, zodat partijen konden schikken en [verzoekster] een advocaat kon raadplegen. Partijen dienden uiterlijk de week daarna door te geven of zij een schikking hadden bereikt en [verzoekster] diende te berichten of zij de behandeling wenste voort te zetten in aanwezigheid van een advocaat. Bij e-mail van 30 maart 2018 heeft [verzoekster] het Gerecht haar voorstel voor een schikking toegestuurd. Zij heeft daarbij niet aangegeven dat zij voorzetting van de behandeling in aanwezigheid van een advocaat wenste.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat [verzoekster] onvoldoende gelegenheid heeft gehad om juridische bijstand te krijgen. Van schending van een fundamenteel rechtsbeginsel in de hiervoor bedoelde zin is dan ook geen sprake. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <para>Ook overigens doet zich geen grond voor die rechtvaardigt dat een uitzondering wordt gemaakt op de regel dat geen hoger beroep open staat. Dit betekent dat het beroep gericht tegen de beslissing tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en vaststelling van de ontbindingsvergoeding moet worden verworpen. Nu die beslissing in stand blijft heeft [verzoekster] geen belang bij haar overige grieven (zie overweging 2.3). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11	[</nr>
      <para>verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep aan de kant van Sehos. Deze worden begroot op <?linebreak?>NAf 6.000,- aan gemachtigdensalaris. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>B E S L I S S I N G</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het Hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- verwerpt het beroep voor zover dat is gericht tegen de beslissing tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en vaststelling van de ontbindingsvergoeding,</para>
      <para />
      <para>- bevestigt de bestreden beschikking ten aanzien van de overige beslissingen,</para>
      <para />
      <para>- veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van Sehos in hoger beroep, tot vandaag begroot op NAf 6.000,-.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J. Fehmers, M.W. Scholte en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 16 oktober 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>