<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2018:123</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-22T11:16:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-07-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AR 78029/16 - H 235/17 en CUR201602103 - CUR2017H00215</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>CFN 2025/73 met annotatie van -</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2018:123">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2018:123</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-07-17T11:50:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2018:123 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 24-07-2018 / AR 78029/16 - H 235/17 en CUR201602103 - CUR2017H00215</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2018:123:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Curaçao. Bodembeslag. Waarde beslagen goederen. Naheffing griffierecht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2018:123:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2018						Vonnis no.:</para>
    <para>Registratienummers: 	AR 78029/16 - H 235/17</para>
    <para>				CUR201602103 - CUR2017H00215</para>
    <para>Uitspraak: 24 juli 2018</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V O N N I S</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">MANRIQUE CAPRILES &amp; SONS B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd in Curaçao,</para>
      <para>oorspronkelijk geopposeerde, gedaagde in reconventie,</para>
      <para>thans appellante, </para>
      <para>gemachtigde: mr. S.M. Saleh,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">DE LANDSONTVANGER VAN CURAÇAO, </emphasis>
      </para>
      <para>zetelend in Curaçao,</para>
      <para>oorspronkelijk opposant, eiser in reconventie,</para>
      <para>thans geïntimeerde, </para>
      <para>gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna MCS en de Ontvanger genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij akte van appel van 27 maart 2017 is MCS in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 13 februari 2017 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: GEA).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Bij op 8 mei 2017 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft MCS acht grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van de Ontvanger in verzet en in reconventie alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de Ontvanger in de proceskosten in beide instanties. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <parablock>
        <para>Bij op 3 juli 2017 ingekomen memorie van antwoord heeft de Ontvanger de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof MCS </para>
        <para>niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep, althans het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van MCS in de proceskosten in </para>
        <para>hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Op 27 februari 2018 hebben partijen pleitnota's overgelegd. Aan die van MCS is een productie gehecht. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In strijd met art. 7 van het Procesreglement 2016 heeft MCS niet het bedrag vermeld waarop het direct geldelijk belang bij de zaak kan worden gewaardeerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De Ontvanger heeft bodembeslag gelegd ten laste van MC Group Holding BV (hierna: MCG), voor dwangschriften met als totale invorderbare bedragen en kosten: NAf 17.662,76, NAf 34.644,16 en NAf 939,430,95. In dit geding vordert MCS de opheffing van het bodembeslag en vordert de Ontvanger dat bepaald wordt dat MCS de executie moet gehengen en gedogen. Het GEA heeft het verzet van MCS tegen het bodembeslag ongegrond verklaard en de reconventionele vordering toegewezen. Bij memorie van grieven heeft MCS een "detail materiële activa" van een registeraccountant overgelegd, waaruit zij afleidt dat de beslagen goederen NAf 480.461,29 waard zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De griffier stelt zich op grond van het voorgaande op het standpunt dat het direct geldelijk belang bij de zaak kan worden gewaardeerd op laatstgenoemd bedrag. Daarbij hoort een griffierecht in hoger beroep van </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2 x NAf 4.800,00 = NAf 9.600,00. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Er is reeds Naf 900,00 geheven. Er dient dus NAf 8.700,00 te worden nageheven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>MCS zal in de gelegenheid worden gesteld binnen zes weken na heden, dus uiterlijk op 4 september 2018 het nageheven bedrag te betalen. De zaak zal naar de rol van 11 september 2018 worden verwezen voor akte aan de zijde van MCS. Indien MCS tijdig het nageheven bedrag betaalt, dient bewijs daarvan aan de akte te worden gehecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De heffing van griffierecht strekt niet ter bescherming van enig recht of belang van geïntimeerde. Daarom zal aan de Ontvanger geen gelegenheid worden geboden om een antwoordakte in te dienen.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>B E S L I S S I N G</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het Hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 11 september 2018 voor akte uitlating griffierecht zijdens MCS;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, H.J. Fehmers en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 24 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>