<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2017:245</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-06T13:56:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-09-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">100.00430/14 H- 14/2015</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2017:245">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2017:245</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-06T13:56:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2017:245 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 20-09-2017 / 100.00430/14 H- 14/2015</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2017:245:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>terugverwijzing HR</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2017:245:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Strafzaken over 2017                                                            	Vonnis no.</para>
  <para>Datum uitspraak: 20 september 2017			MC</para>
  <para>Zaaknummer: H- 14/2015</para>
  <para>Parketnummer: 100.00430/14</para>
  <para>Verstek  </para>
  <section>
    <title>GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</title>
    <parablock>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>STRAFVONNIS</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg  van Sint Maarten van 21 januari 2015 in de strafzaak tegen de verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>[VERDACHTE],  </title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] [geboortejaar] in [geboorteplaats], </para>
      <para>wonende in [woonplaats], [adres]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Procesgang </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In eerste aanleg heeft het Gerecht bij vonnis van 21 januari 2015 de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zevenentwintig maanden met aftrek van voorarrest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof heeft in hoger beroep bij vonnis van 24 juni 2015 - met vernietiging van bovengenoemd vonnis - de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts is de onttrekking aan het verkeer gelast van de in beslag genomen betaalpassen en is de teruggave aan de verdachte gelast van het inbeslaggenomen geld, voor zover aan hem toebehorende, en de inbeslaggenomen telefoon.       </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 28 oktober 2016 voormeld vonnis vernietigd, uitsluitend voor zover het Hof heeft verzuimd de hoogte te bepalen van het aan de verdachte terug te geven geldbedrag. De zaak is teruggewezen naar het Hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Onderzoek van de zaak </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderhavige vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep van 21 januari 2015 en 4 juni 2015, zoals daarvan blijkt uit de processen-verbaal van die terechtzittingen, alsmede van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep na cassatie van 31 augustus 2017 in Sint Maarten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal, </para>
      <para>mr. A.C. van der Schans, en van hetgeen door de raadsvrouw, </para>
      <para>mr. S.R. Bommel, naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het aan de verdachte terug te geven geldbedrag zal vaststellen op USD 764,00, zijnde het verschil tussen USD 4.674,00 (het onder de verdachte inbeslaggenomen geld) en USD 3.910,00 (het door de verdachte gepinde geldbedrag). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Hoogte van het terug te geven bedrag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw heeft betoogd dat het bedrag dat de verdachte met vervalste kredietkaarten zou hebben gepind op USD 1.700,00 moet worden vastgesteld.   </para>
      <para>Het Hof verwerpt dit betoog op grond van het feit dat de verdachte meermalen, zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep, heeft verklaard dat het aan hem toebehorende geldbedrag ongeveer USD 700,00 tot USD 900,00 zou bedragen. Er zijn geen aanknopingspunten om dit bedrag thans op meer dan het dubbele vast te stellen, te meer daar de verdachte blijkens het dossier op 8 november 2014 in totaal USD 3.910,00 met vervalste kredietkaarten heeft gepind. Derhalve zal het Hof de teruggave van USD 764,00 (USD 4.674,00 minus USD 3.910,00) aan de verdachte gelasten.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gelast de teruggave aan de verdachte van USD 764,00.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. H.J. Fehmers, M.C.B. Hubben en F.V.L.M. Wannyn, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 20 september 2017. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>