<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2017:129</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-11-27T16:37:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-11-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-11-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AR 133 van 2015 - Ghis 81378 van 2016 - H 356 van 2016 </psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2017:129">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2017:129</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-11-27T16:37:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-11-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2017:129 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 17-11-2017 / AR 133 van 2015 - Ghis 81378 van 2016 - H 356 van 2016 </dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2017:129:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewijshandtekening. Schuldbekentenis</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2017:129:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Burgerlijke zaken over 2017  </para>
              <para>Registratienummer: AR 133/15 - Ghis 81378/16 - H 356/16</para>
              <para>Uitspraak:17 november 2017  	</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>Vonnisno.:</para>
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
      <para>van Aruba, Curacao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
      <para>VONNIS</para>
      <para>in de zaak van:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Appelant],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende in Sint Maarten,</para>
      <para>oorspronkelijk gedaagde,</para>
      <para>thans appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.G. Bloem,</para>
      <para>tegen</para>
      <para>de vennootschap naar Frans recht <emphasis role="bold">Best Price Services S.a.R.L.,</emphasis></para>
      <para>gevestigd in (Frans) Sint Maarten,</para>
      <para>oorspronkelijk eiseres,</para>
      <para>thans geïntimeerde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. N. de la Rosa.</para>
      <para>Partijen zullen hierna [appelant] en BPS worden genoemd.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in deze zaak gewezen vonnis van 28 juni 2016.1)e inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2	[</nr>
      <para>Appelant] is tijdig in hoger beroep gekomen van genoemd vonnis door indiening op 2  augustus 2016 van een daartoe strekkende akte van hoger beroep. Op 13 september 2016 heeft [appelant] een memorie van grieven ingediend waarbij zes grieven zijn voorgedragen en toegelicht, met conclusie dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van BPS alsnog zal afwijzen; kosten rechtens.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <parablock>
        <para>BPS heeft op 24 oktober 2016 een memorie van antwoord ingediend. Hierbij heeft hij de</para>
        <para>grieven van [appelant] bestreden en geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep - al dan</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>niet met verbetering van gronden - zal bevestigen, met veroordeling van [appelant] in de proceskosten.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Vonnis is bepaald op heden.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij de beoordeling van het hoger beroep neemt het Hof het volgende tot uitgangspunt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <parablock>
        <para>Op 28 augustus 2014 zijn partijen een schriftelijke vaststellingsovereenkomst aangegaan,</para>
        <para>waarbij [appelant] heeft bevestigd een bedrag van US $ 9,550.- ter zake van de huur van een Nissan Pickup truck aan BPS schuldig te zijn en heeft ingestemd om dit bedrag niet later dan 30 september 2014 aan BPS te betalen. Onder deze overeenkomst heeft [appelant] zijn handtekening geplaatst.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3	[</nr>
      <para>appelant] heeft voormeld bedrag niet aan <emphasis role="bold">BPS </emphasis>voldaan.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3	[</nr>
      <parablock>
        <para>appelant] heeft op 8 mei 2015 een bedrag van US$ 500,- aan het door <emphasis role="bold">BPS </emphasis>ingeschakelde</para>
        <para>incassobureau (D &amp; B Management and Collections Services N.V.) betaald.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>De grieven lenen zich, gelet op de gegeven toelichting, voor een gezamenlijke</para>
        <para>bespreking.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2	[</nr>
      <parablock>
        <para>appelant] erkent het bij rov. 2.2 vermelde bedrag aan BPS schuldig te zijn, maar betwist dat</para>
        <para>hij ook (meerdere keren) een T,oyota Corolla bij BPS heeft gehuurd en daarvoor een huurovereenkomst (productie 2 bij inleidend verzoekschrift) en op 8 april 2015 een schuldbekentenis voor een bedrag van US $ 13.260 (productie 6 bij inleidend verzoekschrift), waarin de huursom voor de Toyota Corolla is begrepen, heeft ondertekend.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>Het Gerecht heeft voormeld verweer van [appelant] gepasseerd omdat de op de</para>
        <para>schuldbekentenis van 8 april 2015 geplaatste handtekening gelijkenis vertoont met die op de door BPS overgelegde huurcontracten en vaststellingsovereenkomst van 28 augustus 2014 en omdat [appelant] zijn stelling dat het niet zijn handtekening is niet heeft onderbouwd, bijvoorbeeld door een kopie van zijn paspoort te overleggen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Omdat [appelant] de ondertekening van de schuldbekentenis stellig heeft ontkend, kan naar het oordeel van het Hof op basis van de door het Gerecht geconstateerde gelijkenis van de handtekeningen en het ontbreken van door [appelant] geproduceerd (tegen)bewijs niet aanstonds en zonder meer worden aangenomen dat hij genoemde schuldbekentenis heeft ondertekend, te minder nu hij de huur van de Toyota Corolla ontkent en ook bestrijdt dat hij het daarop betrekking hebbende huurcontract heeft ondertekend.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Nu de bewijslast van de ondertekening alsook het bestaan van de huurovereenkomst met betrekking toe de Toyota op <emphasis role="bold">BPS </emphasis>rust en zij (aanvullend) bewijs heeft aangeboden, zal zij daartoe worden toegelaten. Voorafgaande aan deze mogelijke bewijslevering zal het Hof een comparitie van partijen houden om nadere inlichtingen over de gang van zaken en de geplaatste handtekeningen te verkrijgen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <parablock>
        <para>Iedere andere beslissing wordt door het Hof tot na de bewijslevering aangehouden.</para>
        <para>4.	BESLISSING</para>
        <para>Het Hof, rechtdoende in hoger beroep:</para>
        <para>laat BPS toe, door alle middelen rechtens en in het bijzonder door getuigen, te bewijzen dat Weyer het huurcontract met betrekking tot de Toyota Corolla en/of de schuldbekentenis van 8 april 2015 heeft ondertekend en/of de Toyota Corolla van BPS heeft gehuurd;</para>
        <para>beveelt, voorafgaande aan een mogelijk getuigenverhoor, de persoonlijke verschijning van partijen teneinde nadere inlichtingen te verschaffen;</para>
        <para>verwijst de zaak naar de rolzitting van 15 december 2017 voor dagbepaling getuigenverhoor c.q. verschijning van partijen; </para>
      </parablock>
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para />
                <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, president, en mrs. E.J. van der Poel en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in tegenwoordigheid van de griffier in Sint Maarten uitgesproken op 17 november 2017.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>