<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2016:148</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-03-27T09:10:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-12-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">KG 1974/15 - ghis 97253 - H 182/16</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2016:148">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2016:148</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-03-27T09:10:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2016:148 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 20-12-2016 / KG 1974/15 - ghis 97253 - H 182/16</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2016:148:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Lijfsdwang</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2016:148:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2016						Vonnis no.:</para>
    <para>Registratienummer: KG 1974/15 - ghis 97253 - H 182/16</para>
    <para>Uitspraak: 20 december 2016</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V O N N I S</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in kort geding in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[APPELLANTE],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende in Aruba,</para>
      <para>oorspronkelijk eiseres,</para>
      <para>thans appellante, </para>
      <para>gemachtigde: mr. M.M. Malmberg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[GEÏNTIMEERDE],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende in Aruba,</para>
      <para>oorspronkelijk gedaagde,</para>
      <para>thans geïntimeerde, </para>
      <para>gemachtigde: mr. E.E. Rosenstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij op 21 december 2015 ingediende akte van appel is [appellante] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen in kort geding gewezen en op 2 december 2015 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: GEA).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Bij op 6 januari 2016 ingekomen memorie van grieven, met een productie, heeft [appellante] één grief tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Een memorie van antwoord heeft het Hof niet bij de stukken aangetroffen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Op de daarvoor nader bepaalde dag, 18 oktober 2016, is zijdens [geïntimeerde] een pleitnota ingediend en is akte verleend van het feit dat zijdens [appellante] geen pleitnota is ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Vonnis is nader bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal het Hof [appellante] toelating verlenen om in hoger beroep kosteloos te procederen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Van het volgende wordt uitgegaan. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.2.1</nr>
        <para>Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2</nr>
        <para>Ter terechtzitting van het GEA van 23 september 2014 zijn partijen (onder meer) overeengekomen dat [geïntimeerde] Afl. 325,- per kind per maand aan kinderalimentatie zal betalen voor twee kinderen. Hiervan is een proces-verbaal in executoriale vorm uitgegeven.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.3</nr>
        <para>Bij uitspraak van 4 februari 2015 is [geïntimeerde] veroordeeld om wegens overbedeling een bedrag van Afl. 1.875,00 aan [appellante] te betalen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.4 [</nr>
        <para>Geïntimeerde] heeft niet (tijdig en volledig) aan deze verplichtingen voldaan. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.5</nr>
        <parablock>
          <para>Op 10 juli 2015 heeft [appellante] executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de naamloze vennootschap Foo Wall N.V. (hierna: Foo Wall). </para>
          <para>Volgens [appellante] werkt [geïntimeerde] als manager in een door Foo Wall geëxploiteerde bar. Een (ongedateerde) verklaring van Foo Wall houdt echter in dat er tussen Foo Wall en [geïntimeerde] geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan [geïntimeerde] nog iets van Foo Wall te vorderen had, heeft of zal kunnen hebben. [appellante] heeft niet tijdig gebruik gemaakt van de in art. 477a lid 2 Rv geregelde mogelijkheid om deze verklaring in rechte te betwisten.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>In dit kort geding heeft [appellante], kort gezegd, gevorderd dat het proces-verbaal van 23 september 2014 en de uitspraak van 4 februari 2015 uitvoerbaar bij lijfsdwang worden verklaard. Het GEA heeft deze vordering afgewezen. Daartegen is het hoger beroep gericht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Tegen de overweging van het GEA dat het niet mogelijk is een schuldenaar van een overbedelingsvordering te doen gijzelen (met welke overweging het Hof zich overigens verenigt) is geen grief gericht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <parablock>
        <para>Voor toewijzing van de vordering voor het overige is nodig dat aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en dat het belang van [appellante] toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt (art. 587 Rv). Daarbij moet de rechter het in art. 5 EVRM beschermde recht op persoonlijke vrijheid van de schuldenaar afwegen tegen de bij de toepassing van lijfsdwang betrokken belangen. In hoger beroep dient die belangenafweging ex nunc te gebeuren, dus op basis van de belangen zoals zij ten tijde van de beslissing in hoger beroep bestaan.</para>
        <para>Voorts is nodig dat niet aannemelijk is dat [geïntimeerde] buiten staat is aan de verplichting te voldoen (art. 588 Rv).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Nu het laatste gedingstuk van [appellante] van 6 januari 2016 dateert (thans bijna een jaar geleden) en zij geen gebruik heeft gemaakt van de haar herhaaldelijk geboden mogelijkheid om een pleitnota in te dienen, is het Hof onvoldoende ingelicht om aannemelijk te kunnen achten dat een belangenafweging ex nunc in het voordeel van [appellante] dient uit te vallen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Ten overvloede zal de grief worden besproken. Het GEA heeft overwogen dat lijfsdwang prematuur is, omdat [appellante] de juistheid van de verklaring van Foo Wall kan betwisten (op de voet van art. 477a lid 2 Rv). De grief houdt in dat [appellante] dit niet heeft kunnen doen, omdat zij niet tijdig over een bewijs van onvermogen beschikte. De grief is tevergeefs voorgesteld. In beginsel is het mogelijk een procedure te entameren met een bewijs van aanvraag van het bewijs van onvermogen (vergelijk art. 134 Procesreglement 2016). Verder is het in beginsel mogelijk om opnieuw beslag te doen leggen en dan de verklaring wel tijdig te betwisten (vergelijk: HR 21 januari 2005,  ECLI:NL:HR:2005:AR2776, NJ 2006/310).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. Nu partijen met elkaar getrouwd zijn geweest, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>B E S L I S S I N G</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Hof:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verleent [appellante] toelating om in hoger beroep kosteloos te procederen;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bevestigt het vonnis waarvan beroep;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, G.C.C. Lewin en T.A.M. Tijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 20 december 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>