<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2015:84</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-08-30T16:33:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-12-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">EJ 67293 H-76/15</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2015:84">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2015:84</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-08-30T16:32:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-08-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2015:84 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 01-12-2015 / EJ 67293 H-76/15</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2015:84:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Alimentatie. Gewijzigde omstandigheden. Verzet. Beschikking. In zaken die met een beschikking eindigen, is verzet niet mogelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2015:84:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <parablock>
      <para>Burgerlijke zaken over 2015						Vonnisno.:</para>
      <para>Registratienummers: EJ 67293 H-76/15</para>
      <para>Uitspraak: 1 december 2015</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</emphasis>
      </para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[DE MAN],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te Curaçao,</para>
      <para>hierna te noemen: de man, </para>
      <para>oorspronkelijk geopposeerde, thans appellant,</para>
      <para>gemachtigde: mr. B. Nagelmakers,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[DE VROUW],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te Curaçao,</para>
      <para>hierna te noemen: de vrouw,</para>
      <para>oorspronkelijk opposante, thans geïntimeerde, </para>
      <para>gemachtigde: mr. E.B. Wilsoe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: GEA) wordt verwezen naar de tussen partijen in deze zaak gegeven en op 8 januari 2015 uitgesproken beschikking. De inhoud van deze beschikking geldt als hier ingevoegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De man heeft door indiening van een beroepschrift, ter griffie ingekomen op 11 februari 2015, tijdig hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking van 8 januari 2015. In het beroepschrift heeft hij het beroep toegelicht en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de man tot wijziging van de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw tot nihil, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Op 28 april 2015 heeft de mondelinge behandeling van het beroep plaatsgevonden, alwaar de vrouw in de gelegenheid is gesteld een tweetal getuigen te doen horen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Het horen van de door de vrouw voorgebrachte getuigen heeft – na uitstel – op 1 september 2015 plaatsgevonden. Van het getuigenverhoor is proces-verbaal opgemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Op 29 september 2015 hebben partijen elk een akte na enquête gediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Vervolgens is beschikking nader bepaald op heden.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De gronden van het hoger beroep</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar het beroepschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Bij echtscheidingsconvenant van 16 juni 2005 zijn de man en de vrouw overeengekomen dat de man aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud zal betalen van NAf 4.000,- per maand. Op verzoek van de man heeft het GEA deze bijdrage bij beschikking van 16 januari 2014 (EJ 62741/2013)gewijzigd en met ingang van 20 oktober 2012 vastgesteld op nihil vanwege gewijzigde omstandigheden van de man. De vrouw is van deze uitspraak in verzet gekomen, naar aanleiding waarvan het GEA bij voornoemde beschikking van 8 januari 2015 de beschikking van 16 januari 2014 heeft ingetrokken en de vordering van de man heeft afgewezen. Tegen deze beslissing richt zich het hoger beroep van de man. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>De man legt aan zijn stelling dat sprake is van gewijzigde omstandigheden ten grondslag dat hij is hertrouwd en zijn nieuwe echtgenote en haar twee kinderen moet onderhouden, dat hij thans een inkomen heeft van slechts USD 1.300,- per maand (in plaats van het inkomen van NAf 15.000,- per maand ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant) en dat de behoefte van de vrouw is afgenomen omdat zij, anders dan destijds, een inkomen uit arbeid geniet. Ter adstructie van zijn inkomen heeft de man diverse belastingaangiften overgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Naar het oordeel van het Hof staat als niet, althans onvoldoende weersproken vast dat de vrouw momenteel een inkomen uit arbeid geniet en dat zij daarom minder behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud dan ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant. De vrouw heeft evenwel onbestreden aangevoerd dat de aan haar door de man te betalen bijdrage mede geldt als compensatie voor het feit dat zij bij de echtscheiding afstand heeft gedaan van de toentertijd door de man gehouden aandelen in het kapitaal van Flamingo TV Bonaire B.V. (hierna: Flamingo TV).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Blijkens de door man overgelegde bescheiden geniet hij thans een aanmerkelijk lager inkomen dan in 2005. De vrouw heeft dienaangaande weliswaar gesteld dat de man nog steeds aandelen in Flamingo TV bezit en uit dien hoofde  maandelijks een aanzienlijk bedrag krijgt uitgekeerd, maar deze stelling kan als door de man weersproken niet zonder meer slagen. De vrouw is daarom in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van haar stelling, maar daarin is zij, nu de gehoorde getuigen elk hebben verklaard dat de man geen aandeelhouder meer is, niet geslaagd. Feiten en/of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het inkomen van de man hoger ligt dan door de man onderbouwd met de verschillende belastingaangiften gesteld, zijn ook overigens gesteld noch gebleken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat met betrekking tot het inkomen van de man sprake is van een wijziging in de omstandigheden waardoor de in het echtscheidingsconvenant neergelegde afspraak dat de man NAf 4.000,- per maand aan de vrouw dient te betalen, niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Gelet op de beperkte hoogte van het inkomen van de man moet, bij gebreke aan aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel, worden aangenomen dat de man geen draagkracht (meer) heeft om een bijdrage aan de vrouw te voldoen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>De vrouw is ten onrechte in verzet gekomen van de beschikking van 16 januari 2014 (EJ 62741/2013) waarin de door de man te betalen bijdrage met ingang van 20 oktober 2012 op nihil is gesteld. In zaken als onderhavige, in een beschikking eindigend (art. 429a e.v. Rv), is verzet niet mogelijk. Reeds om die reden moet de bestreden beschikking van 8 januari 2015 worden vernietigd. Het Hof zal het verzet van de vrouw aanmerken als een hoger beroep tegen de beschikking van 16 januari 2014. Gelet op het voorgaande faalt dit hoger beroep, zodat de beschikking van 16 januari 2014 moet worden bevestigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Gelet op de hoedanigheid van partijen en de aard van de procedure, worden de kosten van het hoger beroep gecompenseerd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">BESLISSING</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het Hof:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>- vernietigt de bestreden beschikking, en opnieuw rechtdoende;</para>
      <para />
      <para>- bevestigt de beschikking van 16 januari 2014 (EJ 62741/2013);</para>
      <para />
      <para>- compenseert de kosten van het hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. J. de Boer, T.A.M. Tijhuis en D. Radder, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 1 december 2015.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>