<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2014:114</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-08-05T11:11:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-08-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-11-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AR 49/2010 ghis 58053-H 280/12</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2014:114">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2014:114</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-08-05T10:04:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-08-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2014:114 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 07-11-2014 / AR 49/2010 ghis 58053-H 280/12</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2014:114:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2014:114:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Burgerlijke zaken over 2014	Vonnis no.:</para>
    <para>Registratienummer: AR 49/2010 ghis 58053-H 280/12<?linebreak?>Uitspraak: 7 november 2014</para>
    <bridgehead role="bold">GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</bridgehead>
    <para>van Aruba, Curacao, Sint Maarten en<?linebreak?>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    <para>VONNIS</para>
    <para>in de zaak van:</para>
    <bridgehead role="bold">de erfgenamen van [de erven 1],</bridgehead>
    <para>in deze domicilie kiezend ten kantore van hun gemachtigde in Sint Maarten,<?linebreak?>hierna ook te noemen: [de erven 1],</para>
    <para>oorspronkelijk eisers in conventie, tevens verweerders in voorwaardelijke<?linebreak?>reconventie,</para>
    <para>thans appellanten in het principaal hoger beroep, tevens geïntimeerden in het<?linebreak?>voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,<?linebreak?>gemachtigde: mr. C.H.J. Merx,</para>
    <para>tegen</para>
    <bridgehead role="bold">de erfgenamen van [de erven 2],</bridgehead>
    <para>in deze domicilie kiezend ten kantore van hun gemachtigde in Sint Maarten,<?linebreak?>hierna ook te noemen: [de erven 2],</para>
    <para>oorspronkelijk gedaagden in conventie, tevens eisers in voorwaardelijke reconventie,<?linebreak?>thans geïntimeerden in het principaal hoger beroep, tevens appellanten in het<?linebreak?>voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,<?linebreak?>gemachtigden: mrs. S.R. Bommel en C.A. Peterson.</para>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verdere verloop van de procedure</title>
    <para>Voor het verloop van de procedure tot 8 maart 2013 wordt verwezen naar het<?linebreak?>tussenvonnis van het Hof van die datum. De bij dat tussenvonnis gelaste comparitie<?linebreak?>ter plaatse heeft plaatsgehad op 13 december 2013, waarvan een proces-verbaal is<?linebreak?>opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens is de zaak naar de rol<?linebreak?>verwezen voor akte uitlating regeling. Op een nadere rolzitting hebben de erven<?linebreak?>Remou een akte uitlating regeling genomen. Vonnis is nader bepaald op heden.</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>In het tussenvonnis van 8 maart 2013 heeft het Hof bij de weergave van de<?linebreak?>gewijzigde eis een aantal keren "meetbrief nr. 457 van 1994" vermeld. Zulks<?linebreak?>kennelijk in navolging van het gewijzigde petitum in de memorie van grieven. Tussen<?linebreak?>partijen staat echter vast dat meetbrief [nummer] op het litigieuze perceel</para>
        <para>betrekking heeft; zie ook het afschrift van de meetbrief overgelegd als productie 1 bij<?linebreak?>de conclusie van antwoord. Het Hof begrijpt dan ook dat in het petitum het jaartal<?linebreak?>1996 bedoeld is, en herstelt bij deze de vermelding in het tussenvonnis aldus dat daar<?linebreak?>1996 moet worden gelezen.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Zoals reeds in het tussenvonnis van 8 maart 2013 overwogen, hebben [de erven 1]<?linebreak?> bij de memorie van grieven hun eis gewijzigd. [de erven 2] hebben<?linebreak?>daartegen bezwaar gemaakt onder aanvoering van het argument dat de eis wijziging<?linebreak?>niet op de bij wet voorgeschreven wijze is geschied. Verder zijn [de erven 2]<?linebreak?>inhoudelijk op de gewijzigde vordering ingegaan. Gelet op deze gang van zaken en nu<?linebreak?>de eiswijziging wel op de bij de wet voorgeschreven wijze is geschied en gesteld noch<?linebreak?>gebleken is dat de eiswijziging in strijd is met de eisen van een goede procesorde, zal<?linebreak?>het Hof de wijziging toestaan en recht doen op de gewijzigde eis.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>In eerste aanleg hebben [de erven 2] aangevoerd dat van degene die de<?linebreak?>onderhavige procedure heeft ingezet, [naam A], niet blijkt dat hij [de erven 1]<?linebreak?> rechtsgeldig en deugdelijk vertegenwoordigt. Dit exceptief verweer<?linebreak?>gaat niet op. [de erven 1] hebben immers te kennen gegeven dat [naam A]<?linebreak?> procedeert als deelgenoot namens de gemeenschap en ingevolge<?linebreak?>artikel 3:171 BW is iedere deelgenoot daartoe bevoegd, terwijl het feit dat hij<?linebreak?>deelgenoot is voldoende blijkt uit de als productie 1 bij conclusie van repliek in<?linebreak?>conventie overgelegde stamboomverklaring.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>In appel wordt allereerst opgekomen tegen het oordeel van het GEA dat er geen<?linebreak?>sprake is van een onzekere grens en er daarom geen plaats is voor een vordering tot<?linebreak?>grensbepaling.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Op basis van de waarnemingen van het Hof bij de comparitie ter plaatse, de<?linebreak?>mededelingen van partijen aldaar en de uitleg van de medewerkers van het Kadaster<?linebreak?>aldaar blijkt dat het geschil wordt bepaald door de vraag of de grens tussen de<?linebreak?>gronden van partijen loopt langs de westelijke perceelgrens (standpunt [de erven 1])<?linebreak?>of langs de oostelijke perceelgrens (standpunt [de erven 2]) van het perceel<?linebreak?>beschreven in meetbrief [nummer] (productie 1 conclusie van antwoord).<?linebreak?>Volgens [de erven 1] maakt dat perceel - een langwerpige, schuin gelegen strook<?linebreak?>grond lopend van de bovenkant van de heuvel tevens de grens met de Franse kant (de<?linebreak?>noordelijke perceelgrens) tot de [straatnaam] bij de onderkant van de heuvel (de<?linebreak?>zuidelijke perceelgrens) - deel uit van hun ten oosten gelegen gronden en volgens de<?linebreak?>[de erven 2] maakt deze deel uit van de aan hen toebehorende ten westen gelegen<?linebreak?>gronden (zie ook de aan het proces-verbaal van comparitie gehechte afschriften van<?linebreak?>de kaarten waarvan de medewerkers van het Kadaster zich bij de comparitie hebben<?linebreak?>bediend). Anders gezegd is de vraag of deze strook grond verder naar het westen<?linebreak?>geprojecteerd had moeten worden, en wel een breedte van die strook verder. Het gaat<?linebreak?>immers om de grens tussen de gronden verkregen bij de scabinale akte van 8 mei<?linebreak?>1867 ([de erven 2]) en de gronden verkregen bij scabinale akten van 14 augustus<?linebreak?>1866 nrs. 18 en 19 ([de erven 1]).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <parablock>
        <para>Weliswaar blijkt uit het voorgaande dat sprake is van twee vaststaande, in de<?linebreak?>meetbrief [nummer] nader omschreven lijnen, maar omdat het er twee zijn</para>
        <para>waarbij de ene partij uitgaat van de ene en de andere partij uitgaat van de andere lijn,<?linebreak?>en het perceel waarop die meetbrief betrekking heeft deel uitmaakt volgens de erven<?linebreak?>Remou van hun gronden en volgens de [de erven 1] van hun gronden, is er sprake<?linebreak?>van een onzekere grens.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Aldus zal worden overgegaan tot gerechtelijke grensbepaling. Uit de rapporten<?linebreak?>c.q. brief van het Kadaster van 7 mei 2008, 1 juli 2009 en 7 februari 2011 (producties<?linebreak?>2 en 3 inleidend verzoekschrift en productie 2 conclusie van repliek), alsmede de<?linebreak?>nadere toelichting van de medewerkers van het Kadaster bij de comparitie ter plaatse,<?linebreak?>blijkt helder dat meetbrief [nummer] destijds verkeerd is opgemaakt en<?linebreak?>westelijker geprojecteerd had moeten worden, en wel zodanig dat de oostelijke<?linebreak?>perceelgrens had moeten lopen waar in die meetbrief de westelijke perceelgrens is<?linebreak?>geprojecteerd. Aldus kan worden geconstateerd dat het perceel met meetbrief no. 457<?linebreak?>van 1996 deel uitmaakt van de onroerende zaak toebehorend aan [de erven 1]. Nu<?linebreak?>het perceel met meetbrief [nummer 3], waarop de woning van "de oude dame"<?linebreak?>staat, deel uitmaakt van het perceel met meetbrief [nummer] kan eveneens<?linebreak?>worden vastgesteld dat die woning is gebouwd op de onroerende zaak toebehorend<?linebreak?>aan [de erven 1].</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>Het door [de erven 2] gedane beroep op veijaring gaat niet op, alleen al niet<?linebreak?>omdat ingevolge artikel 5:47 lid 2 BW het wettelijke vermoeden dat de bezitter de<?linebreak?>eigenaar is niet geldt in het onderhavige geval. De vraag waaruit de bezitsdaden<?linebreak?>hebben bestaan voor het overgrote gedeelte van het perceel met meetbrief no. 457 van<?linebreak?>1996 - naar de waarneming van het Hof een vol begroeid stuk natuur dat niet wordt<?linebreak?>gebruikt (het gehele perceel behalve het perceel waarop de woning van de oude dame<?linebreak?>staat (meetbrief [nummer 3])) - behoeft dus niet meer te worden beantwoord.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <para>De verwijzing door [de erven 2] naar de verkrijgende titels van de aan hen op<?linebreak?>[straatnaam] toebehorende gronden (producties 2 en 3 conclusie van antwoord) treft<?linebreak?>geen doel, nu daaruit niets blijkt omtrent de ligging en de afgrenzing van het litigieuze<?linebreak?>perceel omschreven in meetbrief [nummer].</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat het principaal appel slaagt en het betreden vonnis<?linebreak?>geen stand kan houden. Het gevorderde onder 1 en 2 van het gewijzigde petitum zal<?linebreak?>worden toegewezen, op de wijze als in het dictum vermeld. Het onder 3 primair<?linebreak?>gevorderde kan niet worden toegewezen, nu het Hof niet een meetbrief kan<?linebreak?>vernietigen, alleen al niet omdat het geen rechtshandeling betreft verricht door een<?linebreak?>partij bij deze procedure. Het onder 3 subsidiair gevorderde zal evenmin toegewezen<?linebreak?>worden omdat de inschrijving van dit vonnis in de openbare registers ingevolge<?linebreak?>artikel 3:17 BW van rechtswege mogelijk is en daarvoor geen rechterlijke machtiging<?linebreak?>is vereist.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11</nr>
      <para>Het incidenteel appel, dat aan de orde is omdat de voorwaarde waaronder het is<?linebreak?>ingesteld is vervuld, faalt gezien de nauwe samenhang op grond van het slagen van<?linebreak?>het principaal appel.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12</nr>
      <parablock>
        <para>
          [de erven 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten<?linebreak?>in eerste aanleg en in hoger beroep van [de erven 1] worden veroordeeld.</para>
        <para>BESLISSING<?linebreak?>Het Hof:</para>
        <para>vernietigt het vonnis waarvan beroep;</para>
        <para>stelt de grens tussen de landerijen van partijen zodanig vast dat deze loopt langs de<?linebreak?>westelijke perceelgrens van het perceel beschreven in meetbrief [nummer];</para>
        <para>verklaart voor recht dat de onroerende zaken beschreven in de meetbrieven [nummer 2]<?linebreak?> en [nummer] deel uitmaken van de onroerende zaak toebehorend aan [de erven 1]<?linebreak?>;</para>
        <para>veroordeelt [de erven 2] in de kosten, tot op heden begroot op:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>in eerste aanleg: NAf 450,- aan griffierecht, NAf 214,50 aan oproepingskosten<?linebreak?>en NAf 2.700,- aan gemachtigdensalaris;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>in principaal en incidenteel hoger beroep: Naf 900,- aan griffierecht, NAf 499,-<?linebreak?>aan betekeningskosten en NAf 5.100,- aan gemachtigdensalaris;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>verklaart dè grensvaststelling en de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;</para>
        <para>wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, G.C.C. Lewin en S. Verheijen,<?linebreak?>leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van<?linebreak?>het Hof in Sint Maarten in-tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 7<?linebreak?>november 2014. /</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>