<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGHACMB:2012:CA0518</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T20:15:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">CA0518</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GHACSMBES" scheme="psi.rechtspraak">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-12-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AR 53/2010 Ghis 55841– H 195/12</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2012:CA0518">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGHACMB:2012:CA0518</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-06-22T17:14:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-05-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGHACMB:2012:CA0518 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 14-12-2012 / AR 53/2010 Ghis 55841– H 195/12</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGHACMB:2012:CA0518:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Appellante vordert schadevergoeding in hoger beroep voor de eerste keer. Deze vordering kan derhalve niet worden toegewezen oordeelt het Hof. Het Hof oordeelt dat er evenmin voldoende is gesteld en bewezen om tot het oordeel te komen dat er sprake is van ongerechtvaardigde verrijking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGHACMB:2012:CA0518:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Registratienummer: AR 53/2010 Ghis 55841– H 195/12</para>
      <para>Uitspraak: 14 december 2012</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE</para>
      <para>van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en</para>
      <para>van Bonaire, Sint Eustatius en Saba</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>V O N N I S</para>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap PETRUDON ARCHITECTS &amp; CONSTRUCTION N.V.,</para>
      <para>gevestigd in Sint Maarten,</para>
      <para>oorspronkelijk gedaagde,</para>
      <para>thans appellante,</para>
      <para>gemachtigde: mr. R.A. Groenveldt (thans gedesisteerd),</para>
      <para>hierna: Petrudon,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[X],</para>
      <para>wonende in Sint Maarten,</para>
      <para>oorspronkelijk eiser,</para>
      <para>thans geïntimeerde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. R.F. Gibson Jr.,</para>
      <para>hierna: [X].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. Het verloop van de procedure</para>
    <para />
    <para>1.1	Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen in de zaak met nummer AR 2010/53 gewezen en op 14 december 2010 uitgesproken vonnis. </para>
    <para />
    <para>1.2	Petrudon is bij akte van hoger beroep, ingekomen op 25 januari 2011, in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 14 december 2010. In een op 7 februari 2011 ingediende memorie van grieven, met producties, heeft Petrudon drie grieven aangevoerd en toegelicht en geconludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, onder aanvulling of verbetering van gronden de vorderingen van Petrudon alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [X] in de kosten van beide instanties. </para>
    <para />
    <para>1.3	[X] heeft op 23 juni 2011 een memorie van antwoord ingediend, met producties, waarin wordt geconcludeerd dat het Hof de uitspraak van het GEA zal bevestigen, met veroordeling van Petrudon in de kosten van het hoger beroep. </para>
    <para />
    <para />
    <para>1.4	Op 9 november 2012, de nader voor schriftelijk pleidooi bepaalde dag, is aan  Petrudon akte niet dienen verleend. [X] heeft afgezien van pleidooi. </para>
    <para />
    <para>1.5	Vonnis is bepaald op heden.</para>
    <para />
    <para />
    <para>2. De ontvankelijkheid</para>
    <para />
    <para>Petrudon is tijdig en op de juiste wijze in beroep gekomen van het bestreden vonnis, zodat zij daarin kan worden ontvangen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>3. De grieven</para>
    <para />
    <para>Voor de inhoud van de grieven verwijst het Hof naar de memorie van grieven.</para>
    <para />
    <para />
    <para>4. De beoordeling </para>
    <para />
    <para>4.1	Het GEA heeft onder 2 van het bestreden vonnis feiten vastgesteld. Behoudens de vaststelling onder a van het eigendom van het perceel grond gelegen aan de A. Th. Illidge Road, omschreven in meetbrief 137/1989 (hierna: het perceel), zijn tegen de feiten, opgesomd onder b tot en met h, geen grieven gericht. Ambtshalve ziet het Hof tegen deze vaststelling geen bezwaren, zodat het Hof daarvan ook zal uitgaan. </para>
    <para />
    <para>4.2	[X] heeft erkend geen eigenaar te zijn van het perceel, doch het recht van erfpacht daarvan te hebben. Grief 2 slaagt derhalve.  </para>
    <para />
    <para>4.3	De grieven 1 en 3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Daarin klaagt Petrudon dat het GEA op grond van onjuiste overwegingen en in strijd met de geldende wetgeving en jurisprudentie heeft geoordeeld dat aan haar geen vergoeding toekomt.  In dat verband heeft Petrudon zich beroepen op de toepassing van  redelijkheid en billijkheid in de rechtsverhouding tussen Petrudon en [X] en ongerechtvaardigde verrijking. </para>
    <para />
    <para>4.4	Terecht heeft [X] erop gewezen dat Petrudon (in reconventie) in eerste aanleg geen vergoeding heeft gevorderd. Van een toewijzing van een vergoeding in hoger beroep kan dan ook geen sprake zijn (artikel 280 lid 1 Rv). Naar het Hof begrijpt, beroept Petrudon zich op een retentierecht op grond van de artikelen 5:105 leden 2 en 3 BW in verbinding met de artikelen 5:99 en 5:100 BW. Bedoelde artikelen missen in dit geval toepassing nu aan Petrudon een recht van erfpacht noch een recht van opstal is overgedragen op een wijze die aan de wettelijke eisen voldoet. Het beroep van Petrudon op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid faalt, nu Petrudon dit beroep onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. </para>
    <para />
    <para>4.5	Het Hof vat de stellingen van Petrudon aldus op dat zij zich ook op opschorting beroept nu volgens Petrudon sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking van [X]. Ter zake heeft Petrudon gesteld dat er geen redelijke grondslag is dat Rampersdad de waarde van het gebouw op het perceel verkrijgt zonder Petrudon hiervoor te vergoeden. Petrudon kan hierin niet worden gevolgd nu de wederzijdse rechten en verplichtingen van partijen met betrekking tot het gebouw en het perceel expliciet zijn geregeld in de huurovereenkomst van 1 juni 1993 en deze juist de grondslag vormt voor de ter beschikkingsteling van het gebouw aan [X] na ommekomst van de huurovereenkomst op 31 augustus 2008. Los daarvan heeft Petrudon - op wie de stelplicht en de bewijslast  rust - onvoldoende gesteld dat sprake is van een verrijking van [X] ten koste van Petrudon. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat Petrudon gedurende de duur van de overeenkomst (15 jaar) zonder verdere vergoeding het genot heeft gehad van het perceel en het gebouw en gedurende deze periode de onderhuurpenningen heeft geïncasseerd. De verwijzing naar de jurisprudentie kan Petrudon niet baten. Immers, Petrudon heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld, noch zijn die anderszins gebleken, die aanleiding geven tot toekenning van een vergoeding aan Petrudon. Het enkele feit dat na ommekomst van de huurovereenkomst aan Petrudon geen vergoeding is betaald is in de gegeven omstandigheden onvoldoende. Het bewijsaanbod wordt daarom ook gepasseerd.</para>
    <para />
    <para>4.6	Gelet op het voorgaande zijn de grieven tevergeefs voorgesteld. Petrudon zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. </para>
    <para />
    <para>B E S L I S S I N G</para>
    <para />
    <para>Het Hof:</para>
    <para />
    <para>-	bevestigt het vonnis waarvan beroep; </para>
    <para />
    <para>-	veroordeelt Petrudon in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [X] gevallen en tot op heden begroot op NAF. 300,50 aan verschotten NAF. 3.400,-- aan salaris voor de gemachtigde.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, J.P.C. van Dam van Isselt en </para>
      <para>F.J. Lourens, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 14 december 2012.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>