<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAM:2024:116</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-12T12:38:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:OGEAM:2025:111</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEASM" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SXM202300822, SXM202300823, SXM202300824, SXM202300825, SXM202300826</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>CFN 2025/107 met annotatie van -</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2024:116">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2024:116</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-19T15:27:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAM:2024:116 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten , 22-01-2024 / SXM202300822, SXM202300823, SXM202300824, SXM202300825, SXM202300826</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAM:2024:116:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep tegen naheffingsaanslagen premie ziekteverzekering en ongevallenverzekering. In bezwaar mocht niet van een hoorzitting worden afgezien. USZV merkt DIGRA’s vanaf 1 september 2022 niet langer aan als werknemer.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAM:2024:116:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Landsverordening administratieve rechtspraak </para>
    <para>Uitspraak:  22 januari 2024</para>
    <para>Zaaknummers: SXM202300822 - LAR00093/2023, SXM202300823 - LAR00094/2023, SXM202300824 - LAR00095/2023, SXM202300825 - LAR00096/2023, SXM202300826 - LAR00097/2023</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiseres],</para>
      <para>gevestigd te Sint Maarten,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. E. JANSEN,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>HET UITVOERINGSORGAAN SOCIALE ZIEKTEKOSTEN VERZEKERING,</para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.M. HOFMAN-RUIGROK,</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Aanduiding bestreden beschikkingen</title>
    <para>De beschikkingen van verweerder van 27 juni 2023, waarbij de bezwaarschriften van eiseres tegen de naheffingsaanslagen Lzv/Lov betreffende de jaren 2015-2018 ongegrond zijn verklaard. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesverloop</title>
    <para>Namens eiseres zijn op 7 augustus 2023 ter Griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier vijf beroepschriften ingediend ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 14 september 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres is op 20 oktober 2023 gerepliceerd op het verweerschrift. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 november 2023. Eiseres is verschenen bij men. Van der Hoek, boekhouder van eiseres, bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde voornoemd.  Verweerder heeft een pleitnota overgelegd. De vijf beroepschriften zijn gezamenlijk doch niet gevoegd behandeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak is bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Feiten en het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft over de jaren 2014-2018 een looncontrole inzake de loonsommen voor de premieheffing Lzv/Lov uitgevoerd bij eiseres . Hiervan is een conceptrapport opgemaakt waarop eiseres een reactie heeft ingediend. Op basis van het door verweerder vastgesteld definitieve rapport van 27 februari 2020 heeft verweerder op 28 februari 2020 aan eiseres de naheffingsaanslagen met betrekking tot de jaren 2014-2018 opgelegd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De bezwaarschriften van eiseres tegen deze naheffingsaanslagen heeft verweerder bij bestreden beschikkingen ongegrond verklaard en verweerder heeft de naheffingsaanslagen gehandhaafd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Eiseres heeft het Gerecht gemotiveerd verzocht de beroepen gegrond te verklaren en de aanslagen te vernietigen, met veroordeling in de proceskosten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot ongegrondverklaring.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder in de bezwaarfase ten onrecht niet is overgegaan tot een hoorzitting. Verweerder heeft bij verweerschrift gemotiveerd dat afgezien kon worden van horen nu de bezwaren kennelijk ongegrond zijn en dat eiseres genoegzaam in de gelegenheid is gesteld tijdens de controle om haar standpunt naar voren te brengen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Het Gerecht overweegt dat het horen in de bezwaarfase een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftprocedure. Van het horen mag slechts worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State dient de beslissing om van het horen af te zien te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is gesteld. Gelet op de bezwaargronden is het Gerecht van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gemaakte bezwaar niet kon leiden tot een andersluidend besluit en dat verweerder aldus af kon zien van het houden van een hoorzitting. Het voorgaande betekent dat de bestreden beschikkingen wegens schending van de hoorplicht niet in stand kunnen blijven. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Voorts heeft eiseres in bezwaar en beroep naar voren gebracht dat het nieuwe beleid van verweerder ten aanzien van directeuren/grootaandeelhouders ten onrecht vanaf september 2022 van toepassing is verklaard. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Verweerder heeft bij brief van 5 augustus 2022 een nieuw beleid kenbaar gemaakt inhoudende dat, met het oog op jurisprudentie, een directeur/grootaandeelhouder (DIGRA) niet kan worden aangemerkt als werknemer op grond van de Lzv en Lov en de Cessentia Landsverordening vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. Verweerder heeft voorts in voornoemde brief aangegeven dat het nieuwe beleid ingevoerd wordt per september 2022 en kort gezegd geen terugwerkende kracht toekomt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Eiseres heeft onbestreden gesteld dat deze beleidswijziging kennelijk ziet op belangrijke jurisprudentie gedateerd 2004 en 2018. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het Gerecht is van oordeel dat het voornoemde beleid van verweerder redelijk te achten is. Echter het Gerecht is van oordeel dat hetgeen verweerder heeft bepaald omtrent het onthouden van de terugwerkende kracht aan dit beleid onredelijk is ten aanzien van naheffingsbeschikkingen die nog niet in rechte vast staan. Daarbij acht het Gerecht van belang dat, zoals in onderhavige zaak, de naheffingsaanslagen zien op tijdvakken (ver) vòòr 2022, maar dat deze naheffingsaanslagen in veel gevallen zijn opgelegd nà 2022.  Het Gerecht is van oordeel dat het niet toepassen in deze zaken van het nieuwe beleid dat gebaseerd is op jurisprudentie uit onder andere 2004, niet is te rechtvaardigen.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat de bestreden beschikkingen niet in stand kunnen blijven. Het Gerecht zal de beroepen gegrond verklaren en de bestreden beschikkingen vernietigen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze stelt het Gerecht met toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vast op NAf 1.400,--, zijnde 1 punt voor de in de vijf zaken ingediende gelijk luidende beroepschriften en 1 punt voor de gelijktijdige behandeling van de zaken ter zitting. Voorts zal het Gerecht bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van 5x NAF50,- zijnde NAf 250,- aan haar dient te betalen.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>Het Gerecht in eerste aanleg:</para>
    <para>- verklaart de beroepen gegrond;</para>
    <para />
    <para>- vernietigt de bestreden beschikkingen;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat verweerder aan eiseres de proceskosten zal betalen ad NAf 1.400,--;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van NAf 250,-.</para>
    <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter in het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, mr. J. Sybesma en mevrouw M. Lopez-de Weever, bijzondere rechters in het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 22 januari 2024.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>