<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAM:2020:104</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-03T16:26:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEASM" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Lar 31/2020, SXM 202000479</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2020:104">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2020:104</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-03T16:24:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAM:2020:104 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten , 30-11-2020 / Lar 31/2020, SXM 202000479</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAM:2020:104:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing wapenvergunning. Eiser heeft niet aangetoond dat er een dringende noodzaak is voor de verstrekking van de gevraagde vergunning.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAM:2020:104:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Uitspraakdatum: 30 november 2020</para>
    <para>Zaaknummer: SXM202000479-LAR00031/2020</para>
    <para>GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN <?linebreak?>UITSPRAAK</para>
    <para>In het geding van:</para>
    <para>[eiser],</para>
    <para>eiser,</para>
    <para>gemachtigde: mr. C.H.J. MERX,</para>
    <para>tegen</para>
    <para>DE MINISTER VAN JUSTME,</para>
    <para>gezeteld te Sint Maarten,</para>
    <para>verweerder,</para>
    <para>gemachtigde: mr. A.A. KRAAIJEVELD,</para>
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Aanduiding bestreden beschikking</title>
    <para>De beschikking van verweerder van 30 maart 2020, waarbij het bezwaarschrift van eiser, gericht tegen verweerders beschikking van 23 oktober 2019 inhoudende afwijzing van de aanvraag om een wapenvergunning, ongegrond is verklaard.</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Met een op 11 juni 2020 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier ingediend beroepschrift (met producties) heeft eiser tegen voormelde beschikking beroep ingesteld als bedoeld in artikel 7 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). Op 4 augustus heeft eiser een aanvullend beroepschrift ingediend.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 14 september 2020 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 2 november 2020. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij diens gemachtigde.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Uitspraak is bepaald op heden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. <emphasis role="underline">Ontvankeliikheid beroep </emphasis></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 16 van de Lar wordt een beroepschrift ingediend binnen zes weken na de dag waarop de beschikking is gegeven. Ingevolge artikel 16, tweede lid van de Lar geldt de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt als de dag waarop deze is gegeven.</para>
        <para>Artikel 16, derde lid van de Lar bepaalt dat indien het beroepschrift na afloop van de geldende termijn is ingediend, niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft indien aangetoond wordt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden en dat het beroep is ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De bestreden beslissing dateert van 30 maart 2020. De gemachtigde van eiser heeft gesteld dat hij deze toegezonden heeft gekregen op 4 april 2020. Verweerder heeft dit niet weersproken. Het beroepschrift is op 11 juni 2020 ingediend. Het Gerecht stelt vast dat dit buiten de in artikel 16 van de Lar genoemde termijn is. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is omdat de maatregelen getroffen naar aanleiding van de crisis in verband met de verspreiding van Covid-19 het indienen van het beroepschrift niet mogelijk maakte.</para>
        <para>Het Gerecht stelt vast dat in verband met de sluiting van het Gerecht, het Gemeenschappelijk Hof van Justitie de beroepstermijnen in de periode van 31 maart 2020 tot 1 juni 2020 heeft verlengd. Vanaf 1 juni 2020 is een extra termijn van vier weken gegeven. Het Gerecht is van oordeel dat in onderhavige zaak er aldus sprake is van een verschoonbare termijn overschrijding. Het beroep is ontvankelijk.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil </title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiser heeft het Gerecht verzocht het beroep gegrond te verklaren, de beschikking waarvan beroep</para>
        <para>te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien onder veroordeling van de proceskosten.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Op de standpunten van partijen wordt voor het overige hierna zo nodig nader ingegaan.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Wetteliik kader</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 3 van de Vuurwapenverordening luidt (voor zover van belang):</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">1.Het is verboden een vuurwapen of munitie voorhanden te hebben, behoudens de uitzonderingen in het volgende lid genoemd.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">2.De bevoegdheid om een vuurwapen voorhanden te hebben, komt alleen toe:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(5) aan hem, die het wapen voorhanden heeft met algemene of bijzondere machtiging van de Minister van Justitie, hierna te noemen: de minister. Aan de machtiging kunnen voorwaarden worden verbonden. Zij wordt alleen verleend voor zover enig redelijk belang dot vordert en misbruik van de machtiging of van het vuurwapen niet is te vrezen. Zij kan tot bepaalde tijden en plaatsen worden beperkt.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">3.De machtiging bedoeld onder 5 van het voorgaande lid, wordt schriftelijk aangevraagd. De aanvrager verstrekt zo veel mogelijk de van hem gevraagde inlichtingen en bescheiden. Binnen een maand wordt op de aanvraag schriftelijk beschikt. Indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk niet wordt ingewilligd, is de beschikking met redenen omkleed.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">4.De minister is te alien tijde bevoegd elke verleende machtiging bij een met redenen omklede beschikking te schorsen of in te trekken. Hij kan in dringende gevallen deze beschikking bij voorraad uitvoerbaar verklaren.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>2</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Ten aanzien van de beroepsgrond met betrekking tot het horen in bezwaar overweegt het Gerecht als volgt. Niet in geschil is dat eiser is gehoord in de bezwaarfase. De beroepsgrond van eiser beperkt zich tot de gang van zaken tijdens de hoorzitting en de samenstelling van de hoorcommissie. Het Gerecht is van oordeel dat, wat er verder ook zij van de gehouden hoorzitting, eiser in bezwaar en beroep voldoende in de gelegenheid is geweest om zijn standpunten naar voren te brengen en stukken in te dienen. Eiser is dan ook niet in zijn belangen geschaad. De beroepsgrond faalt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Verweerder heeft het verzoek van eiser afgewezen op grond van het ontbreken van een redelijk belang waaruit de noodzaak voor het verlenen van een wapenvergunning kan worden aangenomen en het niet kunnen overleggen van relevante documentatie, te weten een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG)</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Op 23 oktober 2019 heeft de Adviescommissie wapenvergunningen een negatief advies uitgebracht. Verweerder heeft in de bestreden beschikking gemotiveerd dat zelfverdediging slechts in zeer uitzonderlijke gevallen als redelijk belang wordt erkend. Verweerder heeft overwogen dat er geen duidelijke of overtuigende redenen zijn om af te wijken van het advies uitgebracht door de Adviescommissie. Het Gerecht is van oordeel dat verweerder in redelijkheid het algemeen belang van de openbare orde en veiligheid heeft kunnen laten prevaleren boven het belang van eiser. Zo heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat er geen dringende noodzaak is aangetoond door eiser voor de verstrekking van de gevraagde vergunning. Het beschermen van geldtransport na sluitingstijd van het bedrijf van eiser heeft verweerder ontoereikend kunnen achten.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van misbruik van de machtiging of van het vuurwapen te vrezen is maakt verweerder gebruik van een antecedentenonderzoek. Het Gerecht is van oordeel dat verweerder in dit kader het overleggen door de aanvrager van een VOG kan verlangen. Verweerder heeft naar het oordeel van het Gerecht niet ten onrechte belang kunnen hechten aan het ontbreken van een VOG ten aanzien van eiser. Dat eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen zijn veroordeling en dat deze zaak nog loopt doet hier niet aan af.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing <?linebreak?>Het Gerecht:</title>
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 30 november 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">3</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>