<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAM:2019:132</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-22T11:16:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEASM" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Lar 126/2018 - SXM 201801377, Lar 127/2018 - SXM 201801379, Lar 128/2018 - SXM 201801381, Lar 129/2018 - SXM 201801385, Lar 130/2018 - SXM 201801387</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>CFN 2025/73 met annotatie van -</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2019:132">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2019:132</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-06T16:03:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAM:2019:132 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten , 03-12-2019 / Lar 126/2018 - SXM 201801377, Lar 127/2018 - SXM 201801379, Lar 128/2018 - SXM 201801381, Lar 129/2018 - SXM 201801385, Lar 130/2018 - SXM 201801387</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAM:2019:132:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Beroep tot vernietiging van naheffingsaanslagen Ziekteverzekering en Ongevallenverzekering ongegrond verklaard. Verweerder heeft terecht belast dat maaltijdvergoedingen en transportvergoeding niet van het loon zijn uitgesloten. Ten aanzien van schoenvergoeding is er onvoldoende </para>
        <para>onderbouwd waarom deze niet voor privé doeleinden kunnen worden gebruikt.</para>
        <para>Immers is niet onderbouwd dat oproepkrachten voldoen aan de voorwaarden zoals die gelden voor losse werknemers in dienst van de werkgever.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAM:2019:132:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Landsverordening administratieve rechtspraak </para>
    <para>Uitspraak:  3 december 2019 </para>
    <para>Zaaknummers: </para>
    <para>Lar 126/2018, SXM 201801377</para>
    <para>Lar 127/2018, SXM 201801379</para>
    <para>Lar 128/2018, SXM 201801381</para>
    <para>Lar 129/2018, SXM 201801385</para>
    <para>Lar 130/2018, SXM 201801387</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In de gedingen van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiseres], </para>
      <para>gevestigd te Sint Maarten, </para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. G.J. Bergman</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>het Uitvoeringsorgaan Sociale en Ziektekostenverzekering</para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr. B.G. Hofman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Aanduiding bestreden beschikkingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beschikkingen van verweerder van 12 september 2018, waarbij de bezwaarschriften van eiseres van 17 januari 2017, gericht tegen verweerders beschikkingen van 21 december 2016, inhoudende de oplegging van naheffingsaanslagen Ziekteverzekering en Ongevallenverzekering, ongegrond zijn verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>2</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres zijn op 23 oktober 2018 ter Griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier beroepschrift, met bijlagen, ingediend ingevolge de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 15 maart 2019 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 oktober 2019. Namens eiseres zijn de heren P. Boetekees en M. van Iersel verschenen bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Voor verweerder is de heer R. Richardson verschenen, bijgestaan bij gemachtigde voornoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak is bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Feiten en standpunten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Verweerder heeft over het jaar 2011 tot en met juli 2015 een looncontrole uitgevoerd bij eiseres voor de ziekteverzekering en de ongevallenverzekering. Hiervan is een rapport opgemaakt, gedateerd 1 december 2016 (hierna: het rapport).</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Op basis van het rapport heeft verweerder aan eiseres naheffingsaanslagen voor de jaren 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015 opgelegd.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Eiseres heeft in haar beroep naar voren gebracht dat het boekenonderzoek niet kan gelden als de grondslag voor de naheffingsaanslagen, omdat het onderzoek daartoe onvoldoende is geweest. Ter toelichting wijst eiseres op het volgende.</para>
        <para>Verweerder heeft ten onrechte premie geheven over bepaalde vergoedingen, omdat die niet behoren tot het begrip ‘loon’. Eiseres wijst in dat verband op het begrip loon, in artikel 1 van de Landsverordening regelende het recht van de werknemer op tegemoetkoming bij ziekte (hierna: de LV ZV) en de Landsverordening regelende het recht van de arbeider en diens nagelaten betrekkingen op tegemoetkoming ter zake van een ongeval, de arbeider in zijn dienstbetrekking overkomen (hierna: de LV OV). </para>
        <para>De vergoedingen waar eiseres op doelt zijn de transportvergoeding, schoenvergoeding en maaltijdvergoeding. Voorts betoogt eiseres dat oproepkrachten geen werknemer zijn omdat ze niet in een gezagsverhouding staan en evenmin arbeid in aanneming van werk verrichten. Vervolgens stelt eiseres dat de aanslagen van 21 december 2016 melden als periode van de naheffing 201112, respectievelijk 201212, 201312, 201412 en 201512 en zien dus alleen op de maand december in die jaren. De naheffingen, zo stelt eiseres, moeten daarom met 11/12e worden verminderd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Het Gerecht stelt voorop dat een boekenonderzoek samen met een looncontrolerapport als grondslag voor naheffingsaanslagen kan gelden. Voor zover eiseres heeft willen betogen dat het onderzoek niet volledig of zorgvuldig is geweest, kan zij niet worden gevolgd. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling geen concrete onzorgvuldigheden of onvolledigheden kunnen benoemen. Dat eiseres een nadere specificatie per werknemer wenst maakt niet dat het onderzoek als onzorgvuldig of onvolledig heeft te gelden. De beroepsgrond faalt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Voor wat betreft de vraag of de door eiseres genoemde componenten te weten maaltijdvergoedingen, transportvergoeding, schoenvergoeding en onderhoudskosten behoren tot het loon waarover premie is verschuldigd, overweegt het Gerecht het volgende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van de maaltijdvergoedingen heeft eiseres ter onderbouwing van haar stelling gewezen op artikel 6 van de Landsverordening op de Loonbelasting en op artikel 9C van de Landsverordening op de Inkomstenbelasting. Het Gerecht is van oordeel dat deze Landsverordeningen in onderhavige zaak echter niet van toepassing zijn. Wel van toepassing zijn de LV’s ZV en LV OV. Op grond van artikel 1 van de LV’s wordt onder loon verstaan elke uitkering in welke vorm ook die de werknemer als vergoeding voor zijn arbeid ten laste van zijn werkgever geniet, alsmede ontvangsten van derden, die van invloed zijn op de voorwaarden van de arbeidsovereenkomst, behalve: (i) vergoeding voor het verrichten van overwerk in de zin van de Arbeidsregeling, (ii) de toeslag op het loon ingevolge artikel 58 van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering en artikel 52 van de Landsverordening Algemene Weduwen- en Wezenverzekering, (iii) de sociale verzekeringspremies die ten laste van de werkgever komen, (iv) vergoeding boven het normale loon voor het tijdelijk verrichten van andere dan de normale arbeid, waartoe hij ingevolge arbeidsovereenkomst met zijn werkgever verplicht is, (v) vergoeding die bij uitzondering wordt gegeven voor het verrichten van een boven het normale liggende arbeidsprestatie.</para>
        <para>Het Gerecht is van oordeel dat uit deze wettekst volgt dat maaltijdvergoedingen niet van het loon zijn uitgesloten. Verweerder heeft deze dus terecht belast.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Voor wat het al dan niet belasten van transportvergoeding betreft, overweegt het Gerecht het volgende. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat transportvergoeding niet mag worden belast gewezen op artikel 20 lid 4 van de in Nederland Uitvoeringsbeschikking Loonbelasting (1972), waaruit blijkt dat de waarde van de vergoeding van kosten van openbaar vervoer op nihil is gesteld. Het Gerecht overweegt dat deze wet op Sint Maarten niet van toepassing is. Wel van toepassing zijn de Landsverordening op de Loonbelasting en Inkomstenbelasting in samenhang met artikel 6, derde lid letter f onderdeel 1 die verwijst naar artikel 9C LIB en artikel lid 1 letter b. Uit deze wettekst blijkt dat het woon-werk verkeer wel als loon aangemerkt wordt en  verweerder heeft deze dan ook terecht belast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Ten aanzien van de schoenvergoeding overweegt het Gerecht het volgende. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat de voor het keukenpersoneel ter beschikking gestelde koksklompen geen type schoenen zijn bedoeld voor privé gebruik. Naar het oordeel van het Gerecht heeft eiseres daarmee onvoldoende onderbouwd waarom de bedoelde schoenen niet voor privé doeleinden kunnen worden gebruikt. De enkele stelling ter zitting hieromtrent is onvoldoende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor wat de stelling van eiseres met betrekking tot haar oproepkrachten, overweegt het Gerecht dat in haar uitspraak van  16 april 2018 (zaaknummer: Lar 36/2017) zij weliswaar heeft overwogen dat oproepkrachten vallen onder de definitie van “losse werknemers” in de zin van artikel 1 van de LV Ziekteverzekering en artikel 1 van de LV Ongevallenverzekering.  </para>
        <para>Echter, in onderhavige zaak is het Gerecht van oordeel voor zover eiseres stelt dat haar oproepkrachten geen werknemers zijn in de zin van artikel 1 van de LV Ziekteverzekering en artikel 1 van de LV Ongevallenverzekering omdat zij “ losse werknemers” zijn, zij niet kan worden gevolgd. Eiseres heeft immers op geen enkele wijze onderbouwd dat haar oproepkrachten voldoen aan de voorwaarden zoals die gelden voor “losse werknemers” waaronder minder dan  12 achtereenvolgende dagen, niet meegerekend zondagen en feestdagen als bedoeld in de Arbeidsregeling, in dienst van de werkgever zijn. De enkele stelling van eiseres  is daartoe	 onvoldoende en de beroepsgrond faalt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor wat betreft de periode waarop de naheffingsaanslag ziet, overweegt het Gerecht dat verweerder in het verweerschrift heeft gesteld dat de naheffing van toepassing is voor het hele kalenderjaar en dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat zij de aanduiding “2012/12” et cetera, standaard gebruikt. </para>
        <para>Het Gerecht overweegt dat, wat daar verder ook van zij, van belang in deze is dat het voor eiseres duidelijk was waar de aanslagen betrekking op hebben. Naar het oordeel van het Gerecht kan uit het dossier niet anders worden afgeleid dan dat er voor eiseres  geen twijfel mogelijk was dat de betreffende aanslagen betrekking hadden op de gehele jaren en niet slechts op een enkele maand. Dit betoog van eiseres slaagt daarom niet.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepen ongegrond zijn.  Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerecht in eerste aanleg:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter in het gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, mr. J. Sybesma en mevrouw M. Lopez-de Weever, bijzondere rechters in het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op  3 december 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>