<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAM:2019:129</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-06T14:58:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEASM" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SXM201901032- V-Lar 93/2019</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2019:129">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2019:129</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-06T14:58:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAM:2019:129 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten , 29-11-2019 / SXM201901032- V-Lar 93/2019</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAM:2019:129:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verzet tegen uitspraak inhoudende fictieve weigering op een ingediende aanvraag voor een verklaring van rechtswege.</para>
        <para>Aangezien geopposeerde de aanvraag bij het loket van de Immigratiedienst terugkreeg, waarbij mondeling werd medegedeeld dat er stukken zouden ontbreken, is het Gerecht met geopposeerde </para>
        <para>van oordeel dat dit zonder meer is te beschouwen als een weigering om de aanvraag in ontvangst te nemen. Volgens vaste jurisprudentie kan een dergelijke weigering worden gekwalificeerd als </para>
        <para>een fictieve weigering, waartegen Lar-beroep openstaat.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAM:2019:129:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>In het geding van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">DE MINISTER VAN JUSTITIE VAN HET LAND SINT MAARTEN,</emphasis>
      </para>
      <para>zetelende te Sint Maarten,</para>
      <para>opposant,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.O. MULLER,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Merx HEREDEM,</emphasis>
      </para>
      <para>geopposeerde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. C.H.J. MERX,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Op 12 september 2019 is ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg alhier een verzetschrift (met producties) als bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar)  ontvangen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 26 september 2019 heeft geopposeerde een verweerschrift ingediend. Mondelinge behandeling van het verzetschrift heeft plaatsgevonden ter zitting van 7 november 2019. Aldaar is geopposeerde bij zijn gemachtigde genoemd verschenen. Namens opposant is niemand verschenen. De gemachtigde van opposant heeft voorafgaand aan de zitting verzocht de zaak op de stukken af te doen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Uitspraak is bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij uitspraak van 30 augustus 2019 is het Gerecht uitgegaan van een fictieve weigering en heeft zij bij wijze van vereenvoudigde behandeling het beroep van geopposeerde tegen de weigering een beschikking te geven op de door hem op 13 augustus 2019 ingediende aanvraag voor een verklaring van rechtswege, gegrond verklaard en voorts opposant opgedragen een beschikking op de aanvraag te geven.  </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Opposant komt daartegen in verzet en verzoekt om, met vervallenverklaring van de uitspraak in kwestie, het beroep van geopposeerde ongegrond te verklaren. Daaraan legt de opposant ten grondslag dat er op het moment van de uitspraak van 30 augustus 2019 geen sprake was van indiening van een aanvraag en zonder aanvraag kan er ook geen beschikking worden gegeven.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Geopposeerde voert daartegen aan dat wel degelijk sprake was van een ingediende aanvraag en dat zulks ook duidelijk blijkt uit de destijds bij het beroepschrift overgelegde stukken, waaronder de aanvraag zelf. Dat de ingediende aanvraag door de medewerker aan de balie vervolgens weer aan geopposeerde is teruggegeven met de opmerking dat er nog stukken ontbreken, maakt dat niet anders. Deze handelwijze kan worden gekwalificeerd als het weigeren een aanvraag in ontvangst te nemen, hetgeen valt onder de reikwijdte van een fictieve weigering waartegen Lar-beroep openstaat, aldus steeds geopposeerde.  </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 79 lid 1 van de Lar kan het Gerecht onmiddellijk uitspraak doen indien het kennelijk onbevoegd is, het beroep kennelijk niet ontvankelijk is, dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, dan wel verdere behandeling van het beroepschrift hem niet nodig voorkomt, omdat: a. het verzoek kennelijk ongegrond is; b. de bestreden beschikking kennelijk niet in stand kan blijven; c. de bestreden beschikking door het bevoegde bestuursorgaan is ingetrokken of gewijzigd, en daarmee kennelijk aan de bezwaren van de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen. Ingevolge artikel 80 lid 1 van de Lar kunnen alle partijen tegen een uitspraak, bedoeld in artikel 79, binnen twee weken na de dag van verzending schriftelijk verzet doen bij het Gerecht. De indiener van het verzetschrift dient gemotiveerd aan te geven met welke overwegingen in de uitspraak hij zich niet kan verenigen. De artikelen 15, eerste tot en met derde lid, 20 en 22 zijn van overeenkomstige toepassing.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>In verzet is uitsluitend aan de orde of het Gerecht het beroep ten onrechte zonder behandeling ervan ter zitting kennelijk gegrond heeft verklaard.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Naar het Gerecht begrijpt is de door geopposeerde geschetste gang van zaken niet in geschil. Dus vast staat dat geopposeerde op 13 augustus 2019 zijn aanvraag heeft aangeboden bij het loket van de Immigratiedienst en dat hij deze aanvraag vervolgens weer terugkreeg, waarbij hem mondeling werd medegedeeld dat er stukken zouden ontbreken. Het Gerecht is met geopposeerde van oordeel dat dit zonder meer (dat wil zeggen zonder schriftelijke opgave welke stukken ontbreken) is te beschouwen als een weigering om de aanvraag in ontvangst te nemen. Volgens vaste jurisprudentie kan een dergelijke weigering worden gekwalificeerd als een fictieve weigering, waartegen Lar-beroep openstaat. Nu voor het overige in verzet geen gronden zijn aangevoerd, valt niet in te zien waarom dit niet zonder behandeling ter zitting kon worden afgedaan.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Het verzet wordt dan ook ongegrond verklaard.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Er is aanleiding om opposant (ten laste van het land Sint Maarten) te veroordelen in de door geopposeerde gemaakte proceskosten. Deze stelt het Gerecht met toepassing van het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vast op Nafl. 350,00, zijnde 1 punt met wegingsfactor 0,5 in verband met de relatieve eenvoud van de zaak. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <parablock>
      <para>Het Gerecht:</para>
      <para>verklaart het verzet ongegrond;</para>
      <para>bepaalt dat het land Sint Maarten aan geopposeerde zal betalen een bedrag ad Nafl. 350,00.</para>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.M. van der Burgt, rechter in het Gerecht in eerste aanleg te Sint Maarten, en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 29 november 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen zes weken na de datum waarop van deze uitspraak kennis is gegeven. Zie hoofdstuk 5 van de Landsverordening Administratieve Rechtspraak.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>