<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAM:2018:22</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-17T17:17:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEASM" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">EJ 2017/241</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2018:22">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2018:22</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-04-17T17:17:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAM:2018:22 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten , 14-03-2018 / EJ 2017/241</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAM:2018:22:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Arbeidsrecht. Vordering uit kennelijk onredelijke opzegging. Verjaring.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAM:2018:22:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking van 14 maart 2018</para>
      <para>Zaaknummer: EJ 2017/241</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[de werknemer]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te Sint Maarten,</para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>gemachtigde: mr. G. Hatzmann,</para>
      <para>hierna: de werknemer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[de werkgever],</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Sint Maarten,</para>
      <para>verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr. C. Marica,</para>
      <para>hierna: de werkgever.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:</para>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>verzoekschrift met producties d.d. 13 december 2017,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>producties van de werkgever,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>verweerschrift van de werkgever.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 februari 2018. De werknemer en mr. Hatzmann zijn verschenen. Namens mr. Marica is mr. Bommel verschenen, vergezeld van de heer ……., directeur van de werkgever. De griffier heeft aantekening gehouden van wat er is gezegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De uitspraak vindt vandaag plaats.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vaststaande feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De werknemer is op 1 april 2016 voor zes maanden in dienst getreden van de werkgever als IT Service Manager voor een 40-urige werkweek en tegen een maandsalaris van NAf. 1.820,00 bruto. De arbeidsovereenkomst is stilzwijgend verlengd en is van rechtswege geëindigd ingaande 1 april 2017.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij brief van de werkgever d.d. 8 december 2016 heeft de werkgever aan de werknemer ontslag op staande voet gegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij brief van 4 april 2017 is namens de werknemer de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen en is aanspraak gemaakt op doorbetaling loon tot 1 april 2017. Bij e-mail van diezelfde dag bericht de werkgever aan de advocaat van de werknemer het loon niet te zullen uitbetalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vorderingen en het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De werknemer verzoekt het Gerecht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de volgende beslissingen te nemen:</para>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Te bepalen dat [de werkgever] de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk beëindigd heeft.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">[De werkgever] te veroordelen om aan de werknemer een schadevergoeding ten bedrage van Ang. 8,630.32, althans een door U E.A. in goede justitie te bepalen schadevergoeding te betalen.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">[De werkgever] te veroordelen in de kosten van deze procedure.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Het aan [de werknemer] te vergunnen om kosteloos te procederen.”</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De werkgever verzoekt het Gerecht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">“[De werknemer] niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de verzoeken van de [de werknemer] af te wijzen als zijnde verjaard, ongegrond dan wel niet bewezen</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">[De werknemer] te veroordelen in de proceskosten.”</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Op de argumenten van partijen, voor zover van belang voor de beoordeling, gaat het Gerecht hierna in.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het verzoek van de werknemer is, gelet op het petitum van zijn verzoekschrift, gebaseerd op artikel 7A:1615s BW; kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst. De werkgever stelt dat deze vordering is verjaard op grond van artikel 7A:1615u BW. Daarin staat een verjaringstermijn van zes maanden. Gelet op de data van het ontslag op staande voet en de indiening van het verzoekschrift, waartussen één jaar en zeven dagen zitten, is die termijn ruim overschreden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De werknemer verweert zich hiertegen door te stellen dat het lang heeft geduurd voordat hij een gele kaart (kosteloze rechtsbijstand) kreeg, hij op 22 december 2016 een klacht heeft ingediend bij de Labor Department en wijst op de hiervoor genoemde brief d.d. 4 april 2017. De vordering is dus niet verjaard aldus de werknemer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Het Gerecht overweegt het volgende. De arbeidsovereenkomst zou, door het verstrijken van de duur van de tweede zes maanden, van rechtswege geëindigd zijn ingaande 1 april 2017, zo staat tussen partijen vast. Om die reden begrijpt het Gerecht niet goed dat door de werknemer de vordering wordt gebaseerd op artikel 7A:1615s BW. Het had veel meer voor de hand gelegen om de nietigheid van het ontslag op staande voet in te roepen en doorbetaling loon tot 1 april 2017 te vorderen, zoals wel gedaan in de sommatiebrief van 4 april 2017. Dit geldt temeer nu de sommatiebrief van 4 april 2017 is geschreven binnen de vervaltermijn van zes maanden als genoemd in artikel 7 van de Landsverordening  beëindiging arbeidsovereenkomsten. Voor een dergelijke vordering geldt vervolgens de (gewone) verjaringstermijn van 5 jaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Gelet op het duidelijke petitum, en omdat ter zitting naar aanleiding van dit verweer de werknemer zijn eis niet heeft gewijzigd, moet het Gerecht ervan uitgaan dat de werknemer zich niet langer wenst te beroepen op de nietigheid van het ontslag maar dat hij zich beroept op de kennelijke onredelijkheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De verjaringstermijn van zes maanden gaat in op 8 december 2016 en verloopt dus op 9 juni 2017. De verjaring is gestuit door de brief van 4 april 2017. Weliswaar rept die brief niet over een vordering uit kennelijk onredelijke opzegging maar de werkgever kon hieruit wel afleiden dat de werknemer zijn rechten uit de arbeidsovereenkomst geldend wilde maken. Op 5 april 2017 gaat de termijn van zes maanden opnieuw lopen. Deze eindigt dus op 6 oktober 2017. In de tussentijd heeft er geen nieuwe stuitingshandeling plaatsgevonden. Het verzoekschrift is op 15 december 2017 ingediend en dat is dus inderdaad buiten de verjaringstermijn, zoals de werkgever aanvoert. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het verjaringsverweer van de werkgever treft doel. Aan de overige argumenten van de werknemer komt het Gerecht niet toe. De vorderingen worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De werknemer is het ongelijk gesteld zodat hij de proceskosten van de werkgever moet betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerecht in Eerste Aanleg:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verleent aan de werknemer gratis admissie,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst de vorderingen af,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de werknemer in de proceskosten van de werkgever, begroot op nihil aan kosten en NAf 1.500,00 aan salaris gemachtigde en verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en op 14 maart 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>