<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAM:2018:116</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-11T16:55:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEASM" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SXM201800673</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2018:116">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2018:116</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-11T16:55:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAM:2018:116 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten , 14-11-2018 / SXM201800673</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAM:2018:116:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewijsrecht. Bewijs van echtheid handtekening kan niet worden geleverd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAM:2018:116:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking van 14 november 2018</para>
      <para>Zaaknummer: SXM201800673</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[de opdrachtgever],</emphasis>
      </para>
      <para>wonend te Sint Maarten,</para>
      <para>opposante,</para>
      <para>gemachtigde: mr. B. Brooks,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[de opdrachtnemer],</emphasis>
      </para>
      <para>wonend te Sint Maarten,</para>
      <para>geopposeerde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. S.H.M. Ibrahim.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:</para>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>Verzetschrift met producties d.d. 11 april 2018,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Conclusie van antwoord in oppositie,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Aanvullende productie zijdens [de opdrachtgever] d.d. 28 september 2018.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2018 in aanwezigheid van partijen en voormelde advocaten. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De uitspraak is bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vaststaande feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Partijen zijn in november 2014 een overeenkomst tot aanneming van werk aangegaan die inhield dat [de opdrachtnemer] schilderwerk aan het huis van [de opdrachtgever] zou uitvoeren. [de opdrachtnemer] heeft deze werkzaamheden in de periode van november 2014 tot en met maart 2015 uitgevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2. [</nr>
      <parablock>
        <para>de opdrachtgever] heeft voor de schilderwerkzaamheden de volgende bedragen aan [de opdrachtnemer] voldaan:</para>
        <para>US$ 500.00 in december 2014, </para>
        <para>US$ 500.00 in maart 2015 en </para>
        <para>US$ 200.00 in april 2015.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij verstekbeschikking van 8 augustus 2017 met zaaknummer G-9 van 2017 is [de opdrachtgever] veroordeeld tot betaling aan [de opdrachtnemer] van US$ 760.00 althans de tegenwaarde daarvan in Antilliaanse guldens, vermeerderd met de wettelijke rente, US$ 114.00 aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vorderingen en het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1. [</nr>
      <para>de opdrachtgever] vraagt het Gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, de volgende beslissingen te nemen:</para>
      <para>- het verzet gegrond verklaren;</para>
      <para>- de vorderingen van [de opdrachtnemer] alsnog afwijzen en [de opdrachtgever] ontheffen van de veroordelingen uit de verstekbeschikking;</para>
      <para>- [ de opdrachtnemer] veroordelen in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2. [</nr>
      <para>de opdrachtnemer] concludeert dat het Gerecht het verzet ongegrond zal verklaren, met bevestiging van de verstekbeschikking alsmede veroordeling van [de opdrachtgever] in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Kort en zakelijk weergegeven legt [de opdrachtgever] het volgende aan haar verzet </para>
        <para>ten grondslag. De bij de verstekbeschikking toegewezen vorderingen van [de opdrachtnemer] zijn gebaseerd op een schriftelijke overeenkomst d.d. 17 januari 2015, die het volgende inhoudt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“This is a wonderful day the Lord has created and I [de opdrachtgever] and The Painter Mr. C [de opdrachtnemer] has come to agree on December 6th, 2014 at 9am.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">The Painter will work for me at $70.00 per day for 28 days. Which will be a total of $1960.00. $500.00 has been paid to Mr. [de opdrachtnemer] on December 12th, 2014 as his first payment. $1460.00 balance at three payments.” </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De overeenkomst is ondertekend door [de opdrachtnemer] en <emphasis role="italic">“Mrs B …..”</emphasis>. [de opdrachtgever] betwist de echtheid van laatstgenoemde handtekening en heeft bij de politie aangifte tegen [de opdrachtnemer] gedaan van vervalsing. Volgens [de opdrachtgever] zijn partijen enkel mondeling een overeenkomst van aanneming van (schilders)werk overeengekomen voor een bedrag van US$ 1000.00, welk bedrag [de opdrachtgever] aan [de opdrachtnemer] heeft betaald. Verder is afgesproken dat indien het werk naar tevreden van [de opdrachtgever] werd gedaan, zij een extra, door [de opdrachtgever] te bepalen, bedrag zou betalen als <emphasis role="italic">“incentive”</emphasis>. In dat kader heeft [de opdrachtgever] in april 2015 nog een bedrag van US$ 200.00 aan [de opdrachtnemer] voldaan. [de opdrachtnemer] heeft dan ook niets meer van haar te vorderen, aldus [de opdrachtgever]. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Kort en zakelijk weergegeven voert [de opdrachtnemer] het volgende aan. De handtekening van [de opdrachtgever] op de schriftelijke overeenkomst d.d. 17 januari 2015 is echt en de overeenkomst geeft de afspraken tussen partijen correct weer. [de opdrachtgever] heeft de overeenkomst opgesteld en aan [de opdrachtnemer] een kopie gegeven. [de opdrachtnemer] heeft tijdig en deugdelijk het afgesproken schilderwerk uitgevoerd en dient daarom de daarvoor afgesproken prijs te ontvangen. Nu [de opdrachtgever] US$ 1,200.00 heeft betaald, is zij nog US$ 760.00 verschuldigd. [de opdrachtnemer] betwist de afspraak over de zogenaamde <emphasis role="italic">“incentive”</emphasis>. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Het Gerecht stelt voorop dat [de opdrachtnemer] de bewijslast draagt van het bestaan van de schriftelijke overeenkomst d.d. 17 januari 2015, nu hij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Ter zitting heeft [de opdrachtnemer] verklaard dat niet hij, maar [de opdrachtgever] beschikt over de originele schriftelijke overeenkomst d.d. 17 januari 2015 en dat hij slechts een kopie heeft. Voorts is namens [de opdrachtnemer] desgevraagd meegedeeld dat hij zijn stelling dat [de opdrachtgever] de overeenkomst heeft ondertekend, niet met andere bewijsmiddelen kan staven. Nu een onderzoek naar de echtheid van een handtekening vrijwel onmogelijk is op basis van slechts een kopie, en [de opdrachtnemer] geen andere feiten en omstandigheden heeft aangedragen ten bewijze van zijn stelling, is gelet op de gemotiveerde betwisting van [de opdrachtgever], onvoldoende komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken wat in de schriftelijke overeenkomst staat vermeld. Dit betekent dat het verzet van [de opdrachtgever] gegrond is en dat de verstekbeschikking zal worden vernietigd. De vorderingen van [de opdrachtnemer] worden alsnog afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Als in het ongelijk gestelde partij wordt [de opdrachtnemer] verwezen in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerecht in Eerste Aanleg:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het verzet gegrond;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de beschikking 8 augustus 2017 met zaaknummer G-9 van 2017;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst de vorderingen van [de opdrachtnemer] af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [de opdrachtnemer] in de proceskosten, aan de zijde van [de opdrachtgever] begroot op NAf 500.00 aan salaris gemachtigde,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders gevorderde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>