<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAM:2016:63</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-10-10T14:06:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-10-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEASM" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-10-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AR 2015/36</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2016:63">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAM:2016:63</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-10-10T14:05:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-10-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAM:2016:63 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten , 04-10-2016 / AR 2015/36</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAM:2016:63:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Procesrecht. Verzoek tot voeging afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAM:2016:63:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Vonnis van 4 oktober 2016</para>
    <para>Zaaknummer: AR 2015/36</para>
    <para>Vonnisnr.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de besloten vennootschap [A] B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Sint Maarten,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>verweerster in het incident,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J. Deelstra,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de naamloze vennootschap N.V. [B],</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Sint Maarten,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>verweerster in het incident,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.O. Kortenoever,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>met als incidenteel verzoekster:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de openbare rechtspersoon </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">HET LAND SINT MAARTEN,</emphasis>
      </para>
      <para>zetelende te Philipsburg, Sint Maarten,</para>
      <para>gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden aangeduid als “[A]”, “[B]” en “het Land”.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij incidenteel vonnis d.d. 24 november 2015 is aan [B] toegestaan het Land in vrijwaring op te roepen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In de hoofdprocedure is de conclusie van dupliek in conventie tevens inhoudende conclusie van repliek in reconventie zijdens [B] het laatst ingediend processtuk. Tegelijkertijd heeft het Land een incidentele conclusie tot voeging ingediend.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Door [A] en [B] is een conclusie van antwoord in het incident ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Vonnis is bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het Land wenst zich op grond van artikel 214 Rv aan de zijde van [B] te voegen. Het voert daartoe een belang te hebben. Indien immers [B] de hoofdprocedure verliest en het Land de vrijwaringsprocedure verliest dient het Land uiteindelijk de vordering van [A] te betalen. Het vreest dat [B] tegen de vorderingen van [A] geen voldoende verweer heeft gevoerd. Door middel van de voeging wil het Land ook ervan verzekerd zijn in hoger beroep procespartij te zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2. [</nr>
      <para>B] heeft geen bezwaar tegen het verzoek tot voeging en refereert zich aan het oordeel van het Gerecht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3. [</nr>
      <para>A] voert het volgende, kort en zakelijk weer te geven, verweer. De overeenkomst waarover het in de hoofdprocedure gaat is gesloten tussen [B] en [A]. Het Land is geen partij hierbij. Afwijzing van de incidentele vordering zal niet leiden tot enige benadeling of verlies van enig recht van het Land jegens [B]. Vrees voor een slechte procesvoering door [B] is geen grond om voeging toe te staan. Datzelfde geldt voor het argument dat het Land mogelijk de partij is die uiteindelijk [B] zal moeten betalen als [B] aan [A] zou moeten betalen. Het verzoek tot voeging is bovendien te laat gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het Gerecht overweegt het volgende. Het is vaste jurisprudentie dat voeging wordt toegestaan als voldoende duidelijk is dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt (HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692 en HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241). Hetgeen het Land daartoe aanvoert is voldoende om te concluderen dat het een procesbelang bij voeging heeft. Daaraan doet niet af dat het Land niet betrokken zou zijn bij de rechtsverhouding tussen [B] en [A] omdat dit niet een criterium is dat voor voeging geldt. Het Land kan in de vrijwaringsprocedure immers, ondanks zijn verweren, toch gehouden worden [B] te vrijwaren en daarmee is zijn financiële belang gegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Het Gerecht is het echter eens met [A] dat het verzoek te laattijdig in de procedure is gedaan. De zaak staat thans voor dupliek in reconventie zijdens [A]. Toewijzing van het verzoek zou in strijd zijn met de goede procesorde (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768). Het beginsel van hoor en wederhoor brengt immers met zich dat, bij toewijzing, zowel aan het Land, [B] en [A] een extra conclusieronde dient te worden gegeven om op de stellingen van het Land te reageren. Indien daarbij stukken in het geding worden gebracht dient daar weer op te worden gereageerd. Dit leidt tot niet onaanzienlijke vertraging van de procedure. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat het Land niet eerder, bijvoorbeeld na kennisneming van de oproeping in vrijwaring tegen de zitting van 12 januari 2016, het onderhavige verzoek had kunnen indienen. Het argument van het Land dat het er zeker van wil zijn dat het in hoger beroep als voegende partij wordt aangemerkt gaat niet op. Er is geen rechtsregel die zich verzet tegen voeging, voor het eerst, in hoger beroep.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Dit betekent dat het incidentele verzoek van het Land wordt afgewezen. Als in het ongelijk gestelde partij wordt het Land in de proceskosten veroordeeld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7. [</nr>
      <para>A] dient op 1 november 2016 de conclusie van dupliek in reconventie in te dienen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerecht in Eerste Aanleg:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in het incident:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het incidentele verzoek tot voeging van het Land af en veroordeelt het Land in de kosten van dit incident, aan de zijde van [B] begroot op nihil en aan de zijde van [A] op NAf 500,00 voor salaris gemachtigde,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in de hoofdzaak:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat [A] op 1 november 2016 van dupliek in reconventie zal dienen (P1),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>