<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAC:2025:247</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-28T11:15:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEAC" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in eerste aanleg van Curaçao</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR202500730</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>CFN 2025/110 met annotatie van -</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2025:247">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2025:247</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-24T16:02:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAC:2025:247 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 19-11-2025 / CUR202500730</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAC:2025:247:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Belanghebbende heeft in het onderhavige geval niet tegelijk, maar pas een dag later en nadat de intrekking aan haar is bevestigd verzocht om vergoeding van het griffierecht. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op teruggaaf van griffierecht en niet-ontvankelijk is in haar verzoek</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAC:2025:247:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Uitspraak van 19 november 2025 </para>
    <para>BBZ nr. CUR202500730</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na vereenvoudigde behandeling in de zin van artikel 7a van de<?linebreak?>Landsverordening op het beroep in belastingzaken van het verzoek om vergoeding van griffierecht in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[Belanghebbende]</emphasis>, gevestigd te Curaçao,</para>
      <para>belanghebbende,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN</emphasis>, zetelend in Curaçao, </para>
      <para>de Inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>PROCESVERLOOP</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Aan belanghebbende is op 21 juni 2024 een verzuimboete van NAf 500 opgelegd vanwege het niet (tijdig) indienen van de aangifte  winstbelasting over het jaar 2022(hierna: de verzuimboete). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op 13 juni 2024 daartegen bezwaar gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>De Inspecteur heeft bij uitspraak van 9 januari 2025 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en ook ambtshalve geen aanleiding gezien aan belanghebbende tegemoet te komen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op 27 februari 2025 tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Partijen zijn op 20 augustus 2025 uitgenodigd voor de zitting van 18 september 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Belanghebbende heeft op 8 september 2025 een nader stuk ingediend. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7</nr>
      <para>De Inspecteur heeft op 11 september 2025 een e-mail gestuurd, waarin staat  dat de verzuimboete is vernietigd. Van de vernietiging heeft de Inspecteur een schermprint bijgevoegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8</nr>
      <para>Belanghebbende heeft bij e-mail van diezelfde dag het beroep ingetrokken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9</nr>
      <para>Het Gerecht heeft de intrekking van het beroep op 12 september 2025 bevestigd. Belanghebbende heeft vervolgens op 12 september 2025 de volgende e-mail verstuurd: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“(…)</para>
        <para>Betreft: Verzoek tot restitutie griffierechten en correctie beschikking – zaken [CUR0000”] en [“0000”]</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Geachte griffie,</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Namens [X] richt ik mij tot u met het verzoek dat wij missen;</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>1. Restitutie van de betaalde griffierechten in zaak CUR202500730 (Winstbelasting 2022), conform artikel 18, derde lid, van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken.  </para>
      <para>De Inspecteur heeft in deze zaak verzocht om vernietiging van de beschikking, waarmee impliciet het beroep gegrond wordt verklaard. Gelet hierop verzoeken wij om terugbetaling van de griffierechten die op 27 February 2025 zijn voldaan onder referentie [“2025-0000”].</para>
      <para />
      <para>2. Correctie van de beschikking inzake het te laat ingediende bezwaarschrift, met nummer [“0001”].  </para>
      <para>Het bezwaar tegen de naheffingsaanslag winstbelasting 2022 is op 13 juni 2024. De Inspecteur heeft inmiddels erkend dat het bezwaar inhoudelijk behandeld kan worden. Wij verzoeken het Gerecht daarom om de beschikking waarin het bezwaar als te laat ingediend werd aangemerkt, te herzien.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Wij vertrouwen erop dat deze verzoeken in lijn zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur en verzoeken u vriendelijk om bevestiging van ontvangst en verdere afhandeling.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met vriendelijke groet,  </para>
        <para>(…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.10</nr>
      <para>Het Gerecht heeft op 13 oktober 2025 aangekondigd dat er een uitspraak zal volgen op het in 1.9 genoemde verzoek van belanghebbende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.11</nr>
      <para>De Inspecteur heeft op 17 oktober 2025 gereageerd op het verzoek om vergoeding van griffierecht. Belanghebbende heeft daar op diezelfde dag op gereageerd. De Inspecteur daar vervolgens op 20 oktober 2025 weer op gereageerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Belanghebbende heeft het beroep ingetrokken omdat de Inspecteur aan haar is tegemoetgekomen. Belanghebbende heeft nadien verzocht om vergoeding van het griffierecht van NAf 150. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Ingevolge artikel 7a, letter b, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) kan het Gerecht, totdat partijen zijn uitgenodigd voor de behandeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Naar het oordeel van het Gerecht kan deze bepaling op overeenkomstige wijze worden toegepast op een bij intrekking van het beroep gedaan verzoek om vergoeding van griffierecht. Het Gerecht ziet in dit geval daartoe aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Artikel 15, lid 3, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) luidt als volgt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“In geval van intrekking van het beroep, omdat de Inspecteur geheel of gedeeltelijk aan de betreffende partij is tegemoetgekomen, kan de Inspecteur op verzoek van die partij bij afzonderlijke uitspraak in de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt de belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.” </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Voornoemd artikel heeft betrekking op de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met betrekking tot het griffierecht ontbreekt een dergelijke bepaling. Dat betekent dat bij intrekking van het beroep op basis van de tekst van de wet geen recht bestaat op vergoeding van het griffierecht, ook niet als het verzoek tegelijkertijd met de intrekking is gedaan. Echter, volgens vaste jurisprudentie<footnote-ref linkend="_66e23b44-f225-4f32-b2d7-8ee8dc39842b" /> vindt op grond van een redelijke wetsuitleg in het laatste geval, dus bij een verzoek tegelijk met de intrekking, wel een vergoeding van het griffierecht plaats. Hiermee wordt bereikt dat bij intrekking van het beroep de vergoeding van het griffierecht op dezelfde wijze wordt behandeld als de vergoeding van proceskosten. Eenzelfde gelijke behandeling heeft dan eveneens te gelden bij een verzoek dat niet gelijktijdig met de intrekking wordt gedaan: in dat geval bestaat geen recht op een vergoeding van proceskosten en ook geen recht op vergoeding van griffierecht.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Belanghebbende heeft in het onderhavige geval niet tegelijk, maar pas een dag later en nadat de intrekking aan haar is bevestigd verzocht om vergoeding van het griffierecht. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in haar verzoek. De verwijzing van belanghebbende naar twee haar bekende uitspraken<footnote-ref linkend="_cf17866c-b419-4052-9c4f-012ddf9ee31b" /> leidt het Gerecht niet tot een ander oordeel. Anders dan belanghebbende heeft gesteld betrof het aldaar situaties waarin gelijktijdig met de intrekking werd verzocht om vergoeding van het griffierecht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Het Gerecht merkt tot slot ten aanzien van punt 2 genoemd in de e-mail van belanghebbende van 12 september 2025 (zie 1.9) op dat met de intrekking van het beroep een einde komt aan de procedure. Een herziening van de door de Inspecteur afgegeven beschikking blijft derhalve achterwege. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>DE BESLISSING</title>
    <para>Het Gerecht verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 19 november 2025, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,	De rechter,	</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschriften zijn per post/ per e-mail op  …………………………  aan partijen verzonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERZET</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze onmiddellijke uitspraak kunnen beide partijen binnen <emphasis role="bold">twee maanden</emphasis> na de verzenddatum schriftelijk verzet doen bij:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (belastingkamer)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Willemstad</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Curaçao</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Is het Gerecht van oordeel dat het verzet gegrond is, dan vervalt deze uitspraak en wordt de zaak alsnog in behandeling genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U wordt verzocht bij het indienen van het verzetschrift het volgende in acht te nemen: </para>
    </parablock>
    <para>1. Leg bij het verzetschrift een afschrift over van deze uitspraak; </para>
    <para>2. Onderteken het verzetschrift en vermeld het volgende: </para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. de dagtekening;</para>
    <para>c. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het verzet).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende verzetschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gerecht in eerste aanleg: <emphasis role="bold">belastinggriffie@caribjustitia.org</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het doen van verzet is geen griffierecht verschuldigd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_66e23b44-f225-4f32-b2d7-8ee8dc39842b" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld GEA Curaçao 24 juli 2017, ECLI:NL:OGEAC:2017:96, GEA Curaçao 4 maart 2020, ECLI:NL:OGEAC:2020:35 en GEA Curaçao 7 maart 2025,  ECLI:NL:OGEAC:2025:31.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf17866c-b419-4052-9c4f-012ddf9ee31b" label="2">
    <para> GEA Curaçao, CUR 202004974-CUR202004977 van 29 november 2021 en GEA Curaçao, CUR202100241 van 4 maart 2022. Beide uitspraken zijn als bijlage bij deze uitspraak gevoegd.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>