<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAC:2020:278</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-04T15:40:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEAC" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in eerste aanleg van Curaçao</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR201902774 en CUR2020I00003</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2020:278">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2020:278</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-04T15:39:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAC:2020:278 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 23-11-2020 / CUR201902774 en CUR2020I00003</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAC:2020:278:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verklaringsprocedure na derdenbeslag. De eis in de hoofdzaak is niet rechtsgeldig aan de derde-beslagene betekend, met nietigheid van het beslag tot gevolg (art. 721 Rv). Daarom geen verplichting tot verklaring, inhouding en afdracht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAC:2020:278:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VONNIS</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de hoofdzaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RHM MANAGEMENT AND INVESTMENT COMPANY N.V.</emphasis>,</para>
      <para>te Curaçao,</para>
      <para>eiseres, hierna: ‘RHM’,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">MEDICAL SERVICES &amp; REPRODUCTIVE HEALTH CONSULTANCY N.V.</emphasis>,</para>
      <para>te Curaçao,</para>
      <para>gedaagde, hierna: ‘MS’,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.F. Murray,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>en in de vrijwaringszaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">MEDICAL SERVICES &amp; REPRODUCTIVE HEALTH CONSULTANCY N.V.</emphasis>,</para>
      <para>te Curaçao,</para>
      <para>eiseres, hierna: ‘MS’,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.F. Murray,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[DE BESLAGENE]</emphasis>,</para>
      <para>te Curacao,<?linebreak?>gedaagde, hierna: ‘Santiago’,</para>
      <para>verschenen in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In de hoofdzaak heeft RHM na het vonnis in het incident van 30 maart 2020 op de rolzitting van 21 september 2020 een conclusie van repliek genomen. MS heeft op de rolzitting van 26 oktober 2020 gedupliceerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>In de vrijwaringszaak heeft Santiago, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen conclusie van antwoord genomen, waarna haar recht daarop vervallen is verklaard en MS vonnis heeft gevraagd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Vonnis is bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In de hoofdzaak</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Deze zaak betreft een verklaringsprocedure als bedoeld in artikel 477a Rv. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op 25 juni 2018 heeft RHM conservatoir derdenbeslag onder MS gelegd ten laste van Santiago, een werkneemster van MS. Bij vonnis van 17 december 2018 is Santiago veroordeeld in hoofdsom NAf 763 aan RHM te betalen. RHM heeft dit vonnis op 8 juli 2019 aan MS laten betekenen, met de mededeling dat het op 25 juni 2018 gelegde conservatoir derdenbeslag in de executoriale fase is overgegaan en met aanzegging dat MS op grond van artikel 476a Rv een verklaring derdenbeslag dient te doen. Volgens RHM heeft MS buiten rechte geen verklaring gedaan. Zij vordert dat MS op de voet van art. 477a Rv wordt veroordeeld tot betaling van hetgeen Santiago ingevolge het vonnis aan RHM dient te betalen, althans tot hetgeen MS volgens het gerecht aan RHM verschuldigd is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>MS heeft zich onder meer verweerd met de stelling dat het conservatoir beslag niet is gevolgd door de door artikel 721 Rv voorgeschreven betekening van het bewijs van het indienen van de eis in de hoofdzaak. Als de eis in de hoofdzaak wel is betekend, aldus MS, dan is dat niet geschied aan een bevoegde vertegenwoordiger van MS en/of niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van acht dagen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>RHM heeft de stelling van MS dat bedoelde overbetekening van de eis in de hoofdzaak niet heeft plaatsgehad niet gemotiveerd weersproken. Zij heeft het betreffende exploot niet in het geding gebracht en heeft daarover verder ook geen bijzonderheden vermeld. RHM heeft volstaan met een verwijzing naar haar productie 7, waaruit zonder toelichting niets is op te maken, en naar de kostenveroordeling in het tussen haar en Santiago gewezen vonnis, waarin een niet nader gespecificeerd bedrag van NAf 852,50 aan beslagkosten is toegewezen. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat de eis in de hoofdzaak aan MS is betekend, laat staan dat dit tijdig en rechtsgeldig is gebeurd. RHM heeft niet te bewijzen aangeboden dat de eis in de hoofdzaak tijdig en rechtsgeldig aan MS is betekend. Het gerecht ziet geen aanleiding haar ambtshalve tot bewijs toe te laten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande moet het ervoor worden gehouden dat de eis in de hoofdzaak niet aan MS is betekend. Dit heeft ingevolge artikel 721 Rv de nietigheid van het conservatoir beslag tot gevolg. Uit dat beslag kunnen voor MS dan ook geen (verklarings-, inhoudings- en afdracht)verplichtingen voortvloeien. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>RHM maakt in haar verzoekschrift en conclusie van repliek ook melding van een executoriaal beslag dat door RHM onder MS zou zijn gelegd. Daarvan is echter niet gebleken. Het exploot van 8 juli 2019 behelst geen beslaglegging, maar is het vervolg op het - nietig geoordeelde - conservatoire beslag. Bij dat exploot is geen (nieuw) beslag gelegd. Ook daaruit vloeien voor MS dus geen verplichtingen jegens RHM voort. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking en zullen de vorderingen van RHM worden afgewezen, met haar veroordeling als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de vrijwaringszaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>De beoordeling en beslissing in de hoofdzaak geven geen grond om Santiago te veroordelen MS te vrijwaren. De vordering van MS zal dan ook worden afgewezen, met haar veroordeling in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerecht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in de hoofdzaak </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>wijst af het gevorderde;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>veroordeelt RHM in de kosten van het geding, aan de zijde van MS begroot op NAf 2.500 voor salaris gemachtigde;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in de vrijwaringszaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>wijst af het gevorderde;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>veroordeelt MS in de kosten van het geding, aan de zijde van Santiago begroot op nihil.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 november 2020.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>