<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAC:2020:275</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-03T09:19:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEAC" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in eerste aanleg van Curaçao</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">CUR202001107</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2020:275">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2020:275</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-03T09:18:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAC:2020:275 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 23-11-2020 / CUR202001107</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAC:2020:275:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Schorst het opwerpen van een cautio-incident de peremptoirstelling in de hoofdzaak? Incidentele vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten door buitenlandse eisers afgewezen. Gedaagde heeft voldoende middelen van eisers onder zich.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAC:2020:275:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO</bridgehead>
    <para>Afdeling civiel</para>
    <para>Zaaknummer: CUR202001107</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis in het cautio-incident d.d. 23 november 2020 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de rechtspersoon naar het recht van Zwitserland C.S.A.</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">1. CONSULTING &amp; SERVICES ASSOCIATE SA, </bridgehead>
    <para>de rechtspersoon naar het recht van de Britse Maagdeneilanden, </para>
    <bridgehead role="bold">2. CONSULTING &amp; SERVICES ASSOCIATE LTD.,</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">3. [EISER SUB 3] </bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende in Venezuela,</para>
      <para>eisers in de hoofdzaak,</para>
      <para>tevens gedaagden in het incident, </para>
      <para>gemachtigden: mrs. N.E. Soon en G.D. Maria, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">SOUTH AMERICAN INTERNATIONAL BANK CURAÇAO N.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd in Curaçao,</para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>tevens eiseres in het incident, </para>
      <para>gemachtigde: mr. E.A.D.M.E.J. Wever.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[…]</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop <?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het procesverloop in de hoofdzaak en in het incident blijkt uit: </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het inleidend verzoekschrift ingediende op 24 april 2020;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de incidentele vordering tot zekerheidstelling zijdens SAI d.d. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>28 september 2020;</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de op 28 september 2020 tegen SAI verleende akte niet-dienen in de hoofdzaak; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het verzoek van SAI van 28 september 2020 om op de rolbeslissing in de hoofdzaak terug te komen en het bericht van de rechter dat daarop bij dit vonnis zal worden beslist; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord in het incident zijdens [eiser sub 3] c.s. d.d. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>26 oktober 2020. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Vonnis is bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vordering en het verweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het incident </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>SAI vordert dat het Gerecht - kort samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser sub 3] c.s. zal bevelen om binnen een door het gerecht te bepalen termijn, afzonderlijk danwel gezamenlijk, zekerheid te stellen ten behoeve van SAI in de vorm van een bankgarantie van een op Curaçao met goede naam en faam bekendstaande bank, althans op een wijze door het gerecht te bepalen, voor elk een bedrag van NAf 30.000,-, althans een door het gerecht te bepalen bedrag, met veroordeling van [eiser sub 3] c.s. in de proceskosten.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>SAI heeft aan haar vordering het bepaalde in artikel 122 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ten grondslag gelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.	[</nr>
      <para>Eiser sub 3] c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de incidentele vordering tot zekerheidsstelling.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het incident</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>SAI heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat CSA SA en CSA Ltd 	rechtspersonen zijn die in het buitenland gevestigd zijn en aldus in de zin van 	artikel 122 Rv hier te lande geen woonplaats of gewone verblijfplaats 	hebben waardoor ze, op grond van dat artikel, gehouden zijn tot het stellen 	van zekerheid. Volgens SAI dient, ook [eiser sub 3], die in Venezuela woonachtig is, ingevolge artikel 122 lid 1 Rv, zekerheid te stellen voor de proceskosten. 	Voorts heeft SAI gesteld dat de uitzonderingen die in lid 2 van dat artikel worden genoemd, in casu niet van toepassing zijn. Meer specifiek heeft SAI daarbij betoogd dat zij zich niet kan verhalen op de onder haar bevindende gelden omdat SAI dan tegen de geldende regelgeving en sancties zou handelen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.	[</nr>
      <para>Eiser sub 3] c.s. hebben primair als verweer aangevoerd dat er geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat omdat de uitzondering van artikel 122 lid 2 aanhef en onder c Rv zich in dit geval voordoet. Volgens [eiser sub 3] c.s. staat er op de bankrekeningen van CSA SA, CSA Ltd en [eiser sub 3], die SAI onder zich houdt, voldoende saldo om verhaal te kunnen bieden bij een eventuele veroordeling tot betaling van de proceskosten. Subsidiair hebben CSA SA en CSA Ltd aangevoerd dat ze allebei in landen gevestigd zijn waarbij er, op basis van een verdrag, geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat (artikel 122 lid aanhef en onder a Rv).  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Het Gerecht overweegt hieromtrent als volgt. Los van de vraag of CSA CS en CSA Ltd zich op artikel 122 lid 2 aanhef en onder a Rv kunnen beroepen, is het gerecht van oordeel dat [eiser sub 3] c.s. voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat verhaal voor een eventuele veroordeling tot betaling van de proceskosten hier te lande mogelijk zal zijn. SAI heeft weliswaar gesteld dat verhaal voor een proceskostenveroordeling vanwege de geldende sancties en regelgeving onmogelijk is, maar heeft niet specifiek gesteld op welke regelgeving en sancties zij zich beroept en waarom deze bepalingen een beletsel zouden vormen voor verhaal - al dan niet door verrekening - in het geval van een eventuele veroordeling tot betaling van de proceskosten. Het geven van een nadere onderbouwing van haar stelling lag wel op de weg van SAI zeker nu het gerecht in de kortgedingprocedure in onderhavige zaak, waarin eveneens een incident tot zekerheidstelling was opgeworpen, de door SAI gevorderde zekerheidstelling, op basis van dezelfde gronden, heeft afgewezen. Dat SAI een mogelijke tegenvordering heeft, brengt het gerecht niet tot een ander oordeel.     </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de incidentele vordering van SAI zal worden afgewezen. SAI zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Huntington begroot op NAf 6.000,- wegens salaris advocaat.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>SAI heeft het gerecht bij e-mailbericht van 28 september 2020 verzocht om de eerder op die dag genomen rolbeslissing te herstellen en haar alsnog in de gelegenheid te stellen een conclusie van antwoord in de hoofdzaak te nemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.	[</nr>
      <para>Eiser sub 3] c.s. hebben het gerecht in hun conclusie van antwoord in het incident verzocht om gelijktijdig uitspraak te doen in zowel de hoofdzaak als in het incident. Zij menen dat aan SAI terecht akte niet dienen is verleend omdat SAI heeft verzuimd om op de daarvoor bepaalde rolzitting van 28 september 2020 een conclusie van antwoord in de hoofdzaak te nemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Het gerecht is, anders dan [eiser sub 3] c.s., van oordeel dat ten onrechte akte niet dienen tegen SAI is verleend en overweegt hiertoe als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Voor in ieder geval de incidentele vordering tot zekerheidsstelling geldt dat daarop naar zijn aard in beginsel dient te worden beslist voorafgaand aan het verrichten van verdere proceshandelingen in de hoofdzaak. Immers, indien de incidentele vordering tot zekerheidstelling wordt toegewezen en [eiser sub 3] c.s. binnen de gestelde termijn geen zekerheid voor de proceskosten stellen, zal dat (in beginsel) tot niet-ontvankelijkheid van [eiser sub 3] c.s. in de hoofdzaak leiden. Gelet hierop is het niet onbegrijpelijk dat SAI eerst een beslissing in het incident wil afwachten voordat zij overgaat tot het nemen van een conclusie van antwoord in de hoofdzaak. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Wat in deze zaak in het bijzonder tot het verlenen van akte niet-dienen aanleiding heeft gegeven was het feit dat SAI peremptoir (P1) stond voor de door haar te verrichten proceshandeling (conclusie van antwoord). Het opwerpen van een incident in een laat stadium kan onder omstandigheden als misbruik van procesrecht worden aangemerkt. In deze zaak is SAI opgeroepen tegen de zitting van 6 juli 2020, waarna haar een eerste vrij uitstel van 8 weken is verleend, gevolgd door een nader uitstel met peremptoirstelling van nog eens 4 weken. Zeker bij een eenvoudig incident als hier aan de orde, rijst dan de vraag waarom het incidenteel verzoek tot zekerheidstelling niet al eerder is gedaan, waarmee vertraging van de hoofdzaak had kunnen worden beperkt. Het is bepaald geen vanzelfsprekendheid dat het opwerpen van een incident de peremptoirstelling in de hoofdzaak schorst (zie bijvoorbeeld de annotatie in JBPR 2018 aflevering 3 onder ECLI:NL:GHAMS:2018:408). Bij dit gerecht (evenmin als bij de gerechten van Aruba, BES en Sint Maarten) is het echter geen gebruik dat in een dergelijk geval in de hoofdzaak akte niet dienen wordt verleend. Het Procesreglement Civiele zaken 2018 zwijgt op dit punt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Het gerecht ziet in het vorenstaande voldoende aanleiding om de akte niet dienen terug te draaien en de hoofdzaak naar de rolzitting van maandag 14 december 2020 te verwijzen voor conclusie van antwoord P2.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerecht in eerste Aanleg: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">wijst</emphasis> het incidenteel verzoek van SAI af; <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">veroordeelt</emphasis> SAI in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser sub 3] c.s. tot op heden begroot op NAf 6.000,- aan gemachtigdensalaris;<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">verklaart</emphasis> deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">	verwijst</emphasis> de zaak naar de rolzitting van <emphasis role="bold">maandag 14 december 2020</emphasis> om 9:00 uur voor <emphasis role="bold">conclusie van antwoord P2 </emphasis>zijdens SAI;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">houdt</emphasis> iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 november 2020. </para>
        <para>MB</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>