<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAC:2019:101</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-03T14:10:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEAC" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in eerste aanleg van Curaçao</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Lar CUR201800029 en Cur201800028 (gevoegd behandeld)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2019:101">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2019:101</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-03T14:10:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAC:2019:101 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 17-05-2019 / Lar CUR201800029 en Cur201800028 (gevoegd behandeld)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAC:2019:101:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet-verschuldigbare termijnoverschrijding. De datum van ontvangst van het bestreden besluit vormt geen verontschuldiging voor de termijnoverschrijding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAC:2019:101:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Uitspraak</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">1. [eiser]</emphasis>en</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. [eiseres]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>beiden wonend in Nederland,</para>
      <para>eisers,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Sociale Verzekeringsbank,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>verweerster,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M. Bonafasia, werkzaam bij verweerster.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikkingen van 10 mei en 26 juli 2017 heeft verweerster op de aan [eiseres] onderscheidenlijk [eiser] toegekende pensioenuitkeringen met ingang van 1 januari 2017 een korting van 10% toegepast en die nader vastgesteld op NAf 500,80 en NAf 463,80. Daarbij heeft verweerder verder bepaald dat eisers vanaf 2016 niet meer  in aanmerking komen voor een kerstgratificatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beschikkingen van 8 november 2017, aangetekend verzonden op 9 november 2017, (de bestreden besluiten), heeft verweerster de bezwaren van eisers tegen de herzieningsbeschikkingen kennelijk ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerster heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De openbare behandeling ter zitting van het Gerecht heeft plaatsgevonden op 10 april 2019. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die waarop de beschikking is gegeven. Op grond van het tweede lid geldt als de dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt, de dag waarop deze is gegeven. Op grond van het vierde lid blijft, wanneer het beroepschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien de indiener aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan hem toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kan worden.</para>
    <para />
    <para>2. Ambtshalve dient het Gerecht de ontvankelijkheid van de beroepen te beoordelen.</para>
    <parablock>
      <para>	Gebleken is dat verweerster de bestreden besluiten op 9 november 2017 per aangetekende post aan het juiste adres van eisers heeft gezonden. De beroepstermijn liep derhalve van 10 november 2017 tot 23 december 2017. Eisers beroepschriften zijn echter gedateerd op 27 december 2017 en bij het Gerecht binnengekomen op 4 januari 2018. De beroepen zijn derhalve niet tijdig ingediend.</para>
      <para>	Dat naar eiseres hebben gesteld, zij de bestreden besluiten op 25 november 2017 hebben ontvangen, laat onverlet dat zij toen nog voldoende tijd hadden om binnen de beroepstermijn beroepschriften in te dienen. De datum van ontvangst van de bestreden besluiten vormt dan ook geen verontschuldiging voor de termijnoverschrijding. Nu daarvan ook overigens niet is gebleken, moeten de beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard wegens niet‑verontschuldigbare termijnoverschrijding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Het Gerecht wijst eisers op zijn uitspraak van 14 januari 2019, gepubliceerd ECLI:NL:OGEAC:2019:6, waarbij het in een vergelijkbare casus wel een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de ook door eisers opgeworpen rechtsvragen. Die werden in die zaak niet op de door eisers voorgestane wijze beantwoord.</para>
    <para />
    <para>4. De beroepen moeten  niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling ziet het Gerecht geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerecht <emphasis role="underline">verklaart</emphasis> de beroepen van eisers <emphasis role="underline">niet-ontvankelijk</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus vastgesteld door mrs. D. Haan, voorzitter, en J. Sybesma en L.C. Hoefdraad, leden, en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2019, in tegenwoordigheid van mr. O.H.M. Leito, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen <emphasis role="bold">zes weken</emphasis> na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>