<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAC:2017:40</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-04-12T11:22:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEAC" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in eerste aanleg van Curaçao</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-04-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">BBZ nr. CUR201600160</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2017:40">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAC:2017:40</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-04-12T11:22:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAC:2017:40 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao , 05-04-2017 / BBZ nr. CUR201600160</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAC:2017:40:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Op grond van artikel 31, lid 1, van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen is geregeld dat degene die bezwaar heeft tegen een door de Inspecteur gedane uitspraak binnen twee (2) maanden na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep kan komen. In het geval dat met vertraging kennis wordt genomen van de uitspraak op bezwaar, geldt dat het beroep, zo spoedig mogelijk, binnen  één (1) maand moet worden ingesteld. Geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAC:2017:40:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Uitspraak van 5 april 2017 </para>
    <para>BBZ nr. CUR201600160</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK</para>
      <para>op het beroep in de zin van de </para>
      <para>Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[ X ], </emphasis>wonende te Curaçao,</para>
      <para>belanghebbende</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gericht tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN</emphasis>, zetelend in Curaçao, </para>
      <para>de Inspecteur,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>PROCESVERLOOP</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Aan belanghebbende is met dagtekening 3 juli 2015 voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van Naf. 33.946. Tegelijkertijd is een boetebeschikking van Naf. 250 opgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Belanghebbende is op 21 september 2015 tegen de aanslagen in bezwaar gekomen. Bij uitspraken op bezwaar van 15 januari 2016 heeft de Inspecteur de bezwaren afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Belanghebbende is op 24 maart 2016 tegen de uitspraken op bezwaar in beroep  gekomen. Hierbij is griffierecht betaald van Afl. 50.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>De zaak is behandeld ter zitting van 21 februari 2017, waarbij zijn verschenen belanghebbende in persoon samen met haar zus [ A ]. Namens de Inspecteur is verschenen [ mr. B ]. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>ONTVANKELIJKHEID BEROEP </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In artikel 31, lid 1, van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen is geregeld dat degene die bezwaar heeft tegen een door de Inspecteur gedane uitspraak binnen twee maanden na de dagtekening van het afschrift van de uitspraak in beroep kan komen. Het Gerecht gaat ervan uit dat de verzending van de uitspraak op bezwaar door de Belastingdienst tijdig is gebeurd, nu het tegendeel niet is gesteld en daarvan ook niet is gebleken. Gelet op de dagtekening van de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur (15 januari 2016) en de datum van binnenkomst van het beroepschrift (24 maart 2016), is het Gerecht van oordeel dat het beroep niet tijdig is ingediend. De niet-ontvankelijkheid van het beroep blijft achterwege indien de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Als reden voor de niet tijdige indiening heeft belanghebbende aangevoerd dat zij de uitspraak op bezwaar pas op 25 januari 2016 heeft ontvangen en dat zij bovendien ziek was. Het Gerecht overweegt dat in het geval dat met vertraging kennis wordt genomen van de uitspraak op bezwaar, geldt dat het beroep zo spoedig mogelijk, binnen een maand moet worden ingesteld (zie uitspraak Raad van beroep voor belastingzaken van 23 juli 2012: ECLI:NL:ORBBNAA:2012:BX4934). Gelet op het voorgaande kan de stelling van belanghebbende dat zij de uitspraak op bezwaar pas op 25 januari 2016 heeft ontvangen haar niet baten nu de wettelijke beroepstermijn op 15 maart 2016, derhalve na afloop van voormelde eenmaandstermijn eindigt. Belanghebbende heeft met de blote stelling dat zij ziek was niet aannemelijk gemaakt dat zij redelijkerwijs niet in staat was om de termijn van een maand in acht te nemen. Van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding is naar het oordeel van het Gerecht daarom geen sprake. Belanghebbende is niet-ontvankelijk in haar beroep. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>BESLISSING</title>
    <parablock>
      <para>De rechter in dit Gerecht:</para>
      <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Jansen, rechter in dit Gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier,								De rechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken). Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>