<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2024:11</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-30T12:02:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA202303049 t/m 3052 en 3054 t/m 3060</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2024:11">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2024:11</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-12T10:06:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2024:11 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 23-01-2024 / AUA202303049 t/m 3052 en 3054 t/m 3060</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2024:11:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenbeschikking. Het voorstel tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden dat SKOA aan de werknemers heeft gedaan acht het gerecht niet redelijk. Naar het oordeel van het gerecht mochten de werknemers dan ook het wijzigingsvoorstel van SKOA afwijzen en is de desondanks door SKOA doorgevoerde eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden niet gerechtvaardigd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2024:11:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Beschikking van 23 januari 2024</para>
    <para>Behorend bij AUA202303049, AUA202303050, AUA202303051, AUA202303052 en AUA20230303054 t/m AUA202303060 EJ</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de gevoegde zaken van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Verzoekster 1],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Verzoekster 2],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Verzoekster 3],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Verzoekster 4],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Verzoekster 5],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Verzoekster 6],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Verzoekster 7],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Verzoekster 8],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Verzoekster 9],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Verzoekster 10],</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">[Verzoekster 11]</emphasis>
      </para>
      <para>allen te Aruba,</para>
      <para>VERZOEKERS, hierna gezamenlijk te noemen: de werknemers,</para>
      <para>gemachtigde: mr. E.E. Rosenstand,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de stichting, STICHTING SCHOOLBESTUUR KATHOLIEK ONDERWIJS ARUBA,</emphasis>
      </para>
      <para>te Aruba, </para>
      <para>VERWEERSTER, hierna te noemen: SKOA,</para>
      <para>gemachtigden: mr. C.B.A. Coffie en mr. L.D. Gomez</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de (gelijkluidende) verzoekschriften met producties</para>
      <para>- de (gelijkluidende) verweerschriften met producties</para>
      <para>- de op 7 december 2023 door mr. Coffie aan het dossier toegevoegde producties 19a tot en met 27</para>
      <para>- de aantekeningen die de griffier heeft gemaakt van de op 12 december 2023 gehouden zitting, waaraan de spreekaantekeningen van de gemachtigden zijn gehecht</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Beschikking is bepaald op vandaag</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>DE FEITEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>SKOA verzorgt het bijzonder (katholiek) onderwijs in Aruba. SKOA beheert 47 scholen, met in totaal meer dan 600 lokalen</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De werknemers zijn als schoonmaker in dienstbetrekking werkzaam bij SKOA.</para>
        <para>De datum van hun indiensttreding is als volgt geweest:</para>
        <para>5 januari 2011		[Verzoekster 3]</para>
        <para>29 augustus 2011	[Verzoekster 2]</para>
        <para>1 oktober 2013	[Verzoekster 6]</para>
        <para>1 augustus 2016	[Verzoekster 11] </para>
        <para>1 augustus 2016	[Verzoekster 4]</para>
        <para>1 november 2016	[Verzoekster 9]</para>
        <para>1 november 2017	[Verzoekster 8]</para>
        <para>3 januari 2018		[Verzoekster 7]</para>
        <para>1 februari 2018	[Verzoekster 5]</para>
        <para>1 augustus 2018	[Verzoekster 10]</para>
        <para>1 augustus 2018	[Verzoekster 1]</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Tussen de werknemers en SKOA is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Er is geen cao op de arbeidsovereenkomsten van toepassing.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Het salaris van de werknemers werd en wordt rechtstreeks door het Land Aruba, verder: het Land, aan hen betaald via een door het Land beheerd ‘<emphasis role="italic">Payroll systeem</emphasis>’.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>SKOA ontvangt subsidie van het Land. Tot en met 2014 maakten de salariskosten van het schoonmaakpersoneel deel uit van de vergoeding van exploitatiekosten. Onder de salariskosten werd in de verhouding tussen SKOA en het Land verstaan het jaarloon vermeerderd met de verplichte werkgeversbijdrage per jaar in de premie AOV/AWW.</para>
        <para>De directeur van de Directie Onderwijs van het Land heeft daarover in een brief aan SKOA van 7 februari 1997 opgemerkt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Evenwel, hier teken ik uitdrukkelijk aan dat evenbedoeld personeel dan niet gelijkgesteld wordt met de ambtenaar. M.a.w. de voorschriften betreffende de materiële rechtspositie van het personeel, werkzaam bij het bijzonder onderwijs, zijn niet van overeenkomstige toepassing op dit personeel.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Bij Landsbesluit van 19 september 2014 (AB 2014 no. 48) hebben de ministers van Financiën en van Justitie besloten om voor de periode van 2014 tot en met 2024 bovenop het ambtenarensalaris jaarlijks een voorjaarstoeslag, een reparatietoeslag en een najaarstoeslag uit te keren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De minister van Onderwijs en Gezin heeft ter uitvoering van een in de ministerraad op 6 februari 2015 genomen besluit, bij beschikking van 21 mei 2015 besloten dat ‘<emphasis role="italic">in verband met de huidige financiële situatie van de stichting, onder meer vanwege de oplopende exploitatiekosten’</emphasis>, de kosten van het schoonmaakpersoneel ingaande 2015 afzonderlijk als personeelssubsidie aan SKOA worden vergoed. Naast het bruto maandsalaris met inschaling volgens de Bezoldigingsregeling Ambtenaren ontvingen de schoonmakers sindsdien (evenals ambtenaren en daarmee gelijkgestelden) diverse uitkeringen en premies (de voorjaars- of bashi premie, de reparatiepremie en het zogeheten gelijk bedrag of najaarspremie), hierna verder te noemen: aanvullende uitkeringen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Op 1 oktober 2015 heeft de directeur a.i. van Departamento Recurso Human de directeur van de Directie Onderwijs op de hoogte gebracht van het per 1 augustus 2013 door het Land ingevoerde rangenstelsel voor schoonmakers. In deze brief staat ook:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Door de invoering van bovengenoemd rangenstelsel dienen de schoonmakers hierin te worden ingepast.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>In een op 22 november 2018 tussen Aruba en Nederland vastgelegd protocol zijn afspraken gemaakt ter waarborging van solide, transparante en houdbare overheidsfinanciën van Aruba en de daarmee noodzakelijke beheersing van de personeelskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <parablock>
        <para>Het Land heeft besloten om vanaf het jaar 2020 de kosten van het schoonmaakpersoneel aan SKOA niet meer afzonderlijk te vergoeden als salarissubsidie, maar weer (zoals vóór 2015) als onderdeel van de subsidie voor exploitatiekosten.</para>
        <para>De minister van Onderwijs, Wetenschap en Duurzame Ontwikkeling schreef daarover op 19 december 2019 aan SKOA:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Naar aanleiding van de beslissing in de Ministerraad d.d. 16 augustus 2019, (BE-56/19) bericht ik u dat de kosten in verband met schoonmaak van uw gebouwen/lokalen met ingang van het dienstjaar 2020 niet langer opgenomen zullen worden als onderdeel van de personeelssubsidie doch zullen deze kosten opgenomen worden onder de noemer exploitatiekosten, zulks conform de relevante wetsbepalingen en in het kader van deugdelijke monitoring en verantwoording van de kosten.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>SKOA heeft, evenals een groep van 91 schoonmakers, tegen de brief van 19 december 2019 bezwaar gemaakt. Ook hebben zij bij dit gerecht een verzoekschrift ex artikel 54 van de Lar ingediend. Bij uitspraak van 6 april 2020 (ecli:nl:ogeaa:2020:193) is dit verzoek afgewezen. Het gerecht overwoog daartoe:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“8.1 Aan haar verzoek heeft SKOA ten grondslag gelegd, dat zij door de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beschikking onevenredig financieel nadeel lijdt, nu zij de salarissen van het schoonmaakpersoneel niet kan uitbetalen en de belastingen en sociale lasten niet kan afdragen. Vast staat echter dat verweerder de uitbetaling van de</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(netto-)salarissen aan de schoonmakers, niet heeft stopgezet. In zoverre is er dan ook geen sprake van een onevenredig nadeel.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen volgt, dat de kosten voor het schoonhouden van de gebouwen en lokalen van SKOA vallen onder de exploitatiekosten. Schoonmakers zijn degenen die als beroep hebben het netjes/schoon houden van het interieur van gebouwen. Dit betekent dat de salariskosten van het schoonmaakpersoneel naar het oordeel van de voorzieningenrechter vallen onder de exploitatiekosten. Dat SKOA eigen schoonmaakpersoneel in dienst heeft -op basis van civielrechtelijke arbeidsovereenkomsten-, maakt niet dat het schoonmaakpersoneel aangemerkt moet worden als “het overige personeel” als bedoeld in artikel 31 van de LvBO en de daarmee overeenstemmende bepalingen in de LvKO en LvVO, zoals SKOA meent. Zulks volgt ook niet uit de door haar overgelegde Ministeriële Beschikking van 21 mei 2015, en strookt overigens ook niet met het bepaalde in artikel 43, eerste lid van de LvBO en de daarmee overeenstemmende bepalingen in de LvKO en LvVO. Het schoonmaakpersoneel heeft immers geen akte van benoeming.”</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>Gedurende de Covidpandemie zijn op de aanvullende uitkeringen tijdelijke kortingen toegepast op grond van de Lv. Tijdelijke versobering bezoldigingen en voorzieningen overheid, AB 2020, no 108.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Na diverse overleggen met SKOA en tussenkomst van onder andere de Landsbemiddelaar, heeft het Land op 8 april 2022 besloten om aan SKOA ten behoeve van het schoonmaakpersoneel extra gelden als subsidie uit te keren, ter dekking van een salaris volgens het wettelijk minimumloon, vakantiegeld, kerstbonus en pensioen volgens de Landsverordening algemeen pensioen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>SKOA heeft het schoonmaakpersoneel op 21 april 2022 geïnformeerd over het besluit van het Land van 8 april 2022. Daarna heeft SKOA op 11 juli 2022 de gevolgen van het besluit uitgelegd aan het schoonmaakpersoneel en heeft zij aan hen voorgehouden te kunnen kiezen tussen aanvaarding van nieuwe arbeidsvoorwaarden overeenkomstig het besluit van het Land van 8 april 2022 dan wel aanvaarding van een ‘ontslagpakket’.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <parablock>
        <para>SKOA heeft in juli 2022 in individuele gesprekken met elk lid van het schoonmaakpersoneel het voorstel gedaan om in te stemmen met versobering van de arbeidsvoorwaarden overeenkomstig het besluit van het Land van 8 april 2022. Vervolgens hebben 23 schoonmakers de beslissing genomen om bij SKOA te vertrekken, hebben 18 schoonmakers ingestemd met de aangeboden beëindigingsvergoeding en is een ander deel van het personeel akkoord gegaan met het voorstel van SKOA.</para>
        <para>De werknemers zijn bij SKOA in dienst gebleven en zij hebben het voorstel van SKOA niet aanvaard.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>Per 1 augustus 2022 heeft SKOA haar voorstel ten aanzien van alle toen nog bij haar in dienst zijnde schoonmaakmedewerkers uitgevoerd door hun beloning te verlagen, ook ten aanzien van de werknemers die met dat voorstel niet hadden ingestemd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>Bij brief van 6 augustus 2022 heeft mr. [naam heer] van SQR Legal &amp; Financial services namens de werknemers onder meer aan SKOA geschreven:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“U heeft cliënten op verschillende momenten laten weten dat u per 1 augustus 2022, eenzijdig de arbeidsovereenkomst gaat wijzigen. Cliënten hebben hier op verschillende momenten mondeling en schriftelijk, onder meer bij schrijven van 12 juli 2022 en 21 juli 2022, uitdrukkelijk tegen geprotesteerd en aangegeven dat zij hier niet mee akkoord gaan. U toont echter geen enkele bereidheid aangaande met cliënten in gesprek te treden en heeft enkel aangegeven in uw voornemen te volharden. […] Cliënten willen nog eenmaal trachten deze kwestie in der minne te schikken. Hierbij verzoeken, voor zover rechtens vereist sommeren cliënten u om mij uiterlijk dinsdag 9 juli 2022, om 2 uur schriftelijk te bevestigen dat, zolang er geen akkoord is tussen partijen over het wijzigen van de arbeidsovereenkomst, de geldende overeenkomst gerespecteerd zal worden en naar behoren zal worden nagekomen.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19.</nr>
      <para>Volgens een door de belastingdienst opgesteld overzicht had SKOA op 14 september 2022 een belastingschuld van Afl. 6.067.599,03.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20.</nr>
      <para>Bij vonnissen in kort geding van 5 oktober 2022 en 19 december 2022 heeft het gerecht SKOA bevolen, zakelijk samengevat, om zolang in een bodemprocedure niet anders zal zijn beslist aan de werknemers het vóór 1 augustus 2022 betaalde salaris met toelagen en uitkeringen -de kortingen in verband met de coronapandemie niet meegerekend- te blijven betalen minus een versobering van 5%. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.21.</nr>
      <para>In de Lar bodemprocedure van SKOA is nog geen uitspraak gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>HET GESCHIL EN DE BEOORDELING DAARVAN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De werknemers vorderen dat het gerecht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht zal verklaren: primair, dat SKOA, zolang er geen andere overeenkomst tussen partijen tot stand komt, de tussen partijen overeengekomen arbeidsvoorwaarden naar behoren dient na te komen totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd; subsidiair, dat SKOA, zolang er geen andere overeenkomst tussen partijen tot stand komt, het maandsalaris en de driejaarlijkse premies, de tussen partijen overeengekomen arbeidsvoorwaarden integraal na te komen totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd. Voorts vorderen de werknemers dat bij toewijzing van de primaire verklaring voor recht, SKOA wordt bevolen om over het dan nog achterstallige salaris zowel de wettelijke rente alsmede de wettelijke verhoging te betalen, alles ten slotte met veroordeling van SKOA in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>SKOA heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop hierna voor zover nodig nader zal worden ingegaan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">ter inleiding</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Voordat het gerecht met het oog op de ingestelde vorderingen toekomt aan een beoordeling van de rechtsverhouding tussen de partijen, bestaat de behoefte om het volgende op te merken. SKOA wordt (nagenoeg) volledig gesubsidieerd door het Land en vervult een rol die van grote maatschappelijke betekenis is. SKOA is de grootse onderwijsinstelling in Aruba. Scholen kunnen niet functioneren zonder gekwalificeerd onderwijspersoneel, maar evenmin zonder dat de gebouwen waarin door dat personeel onderwijs wordt gegeven in behoorlijke staat worden gehouden en worden gereinigd. </para>
        <para>Het zou al snel uit de hand lopen als dat laatste niet geregeld plaatsvindt. </para>
        <para>Het schoonmaakpersoneel van SKOA vervult dus in en voor de scholen een belangrijke rol. Tegen deze achtergrond valt het te betreuren dat dit personeel onderwerp is geworden van een langjarig debat tussen SKOA en het Land. Gedurende dat debat is het begrotingstekort van SKOA opgelopen, en is een belastingschuld ontstaan van ruim 6 miljoen AWG. Dat is een enorm bedrag en het is een illusie om te denken dat SKOA dit probleem op eigen kracht zal kunnen oplossen. Daarvoor ontbreken SKOA eenvoudig de mogelijkheden en de middelen. SKOA is aangewezen op subsidie van het Land en int daarnaast ouderbijdragen. Een (verdere) verhoging van de ouderbijdrage is echter ondenkbaar omdat daardoor de toegang tot het onderwijs in het gedrang kan komen. Daarmee lijkt het onafwendbaar dat SKOA en het Land opnieuw overleg met elkaar zullen moeten voeren om tot een adequate en definitieve oplossing te komen. </para>
        <para>Dat klemt temeer omdat, zoals hierna zal blijken, de vorderingen van de werknemers toewijsbaar zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De eerste vraag die het gerecht moet beantwoorden is of het vóór 1 augustus 2022 aan de werknemers door SKO betaalde schaalsalaris en de aanvullende uitkeringen de tussen hen <emphasis role="italic">overeengekomen</emphasis> primaire arbeidsvoorwaarden zijn en zo niet of de werknemers er desondanks op mochten <emphasis role="italic">vertrouwen</emphasis> dat daar wel sprake van was.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is er sprake van overeengekomen arbeidsvoorwaarden?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Op de zitting is naar voren gekomen hoe bij SKOA de arbeidsovereenkomsten met schoonmakers -die niet schriftelijk zijn vastgelegd- tot stand kwamen. De voor SKOA ter zitting aanwezige HRM functionaris [naam HRM functionaris] en enkele van de werknemers ([werknemer 1], [werknemer 2] en [werknemer 3]) hebben daarover desgevraagd informatie gegeven. </para>
        <para>Het gerecht begrijpt daaruit dat de selectie van schoonmakers gebeurde door het hoofd van de school waar de werkzaamheden moesten worden verricht. Na goedkeuring van een kandidaat door het schoolhoofd ging de kandidaat naar het (centrale) kantoor van SKOA, niet om te onderhandelen over de hoogte van het salaris maar om aan te horen hoe hoog dat was. Ook lag dan een formulier klaar waarop de aspirant-werknemer de nodige administratieve gegevens moest invullen. Vóór 2015 is tegen de aspirant-werknemer gezegd dat de schoonmaker het minimumloon ging verdienen, daarna zijn de hogere bedragen en aanvullende uitkeringen genoemd die voorvloeien uit de brief van de minister van 21 mei 2015. Volgens [HRM] heeft zij daar steeds bij gezegd dat dit een beslissing van het Land was geweest om de beloning te verhogen. Aan hen die al in dienst waren is gezegd dat zij ‘andere voorwaarden’ zouden krijgen. </para>
        <para>[werknemer 1], die per 1 november 2017 in dienst is getreden, heeft verklaard dat zij op het kantoor van SKOA te horen heeft gekregen hoeveel zij ging verdienen. Daar is toen niet bij gezegd dat de hoogte van dat salaris tijdelijk was. [werknemer 2] kwam in dienst per 1 augustus 2016. Zij heeft verklaard dat haar bij indiensttreding de hoogte van het salaris is verteld en dat daar elk jaar Afl. 80,- bijkwam. Alle voorwaarden van een ambtenaar zouden ook voor haar gelden. Er is niet gezegd dat dit allemaal tijdelijk was.</para>
        <para>[werknemer 3] ten slotte was al in dienst vanaf 5 januari 2011. In 2015 is in een vergadering bij SKOA door het hoofd personeelszaken mevrouw [naam hoofd personeelszaken] gezegd dat de schoonmakers ‘vanaf nu’ gelijkgesteld zijn. Er is een boekje gegeven aan de aanwezige schoonmakers waarin alle arbeidsvoorwaarden stonden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Het gerecht maakt uit de ter zitting verkregen informatie op dat steeds bij indiensttreding van de werknemers het door hen te verdienen periodieke salaris (en vanaf 2015: de aanvullende uitkeringen) uitdrukkelijk door SKOA is genoemd. </para>
        <para>In juridische termen heeft dat te gelden als een aanbod. Op dat aanbod van SKOA zijn de werknemers vervolgens ingegaan door het daarop afgestemde formulier in te vullen, waarna de arbeidsovereenkomst met een vaste inhoud tot stand is gekomen. Dat die inhoud tijdelijk of voorwaardelijk is aangeboden, volgt niet uit de ter zitting gebleken reconstructie. [HRM] rept wel over informatie die aan de werknemers is gegeven met betrekking tot bekostiging of subsidie door het Land, maar dat is niet hetzelfde. Om daaruit te moeten afleiden dat de aangeboden arbeidsvoorwaarden slechts tijdelijk zouden gelden, is wezenlijk meer nodig. De werknemers werden bovendien opgenomen in de personeels- en salarisadministratie van het Land en zij hoefden niet te begrijpen dat de daaruit voortkomende betalingen, waaronder die van de aanvullende uitkeringen, zouden kunnen verminderen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Als hierover anders wordt gedacht en wordt aangenomen dat de tussen 2015 en 2022 door SKOA toegepaste arbeidsvoorwaarden niet expliciet met de werknemers zijn overeengekomen, dan geldt in dat geval het volgende. Deze voorwaarden betreffen <emphasis role="italic">primaire </emphasis>arbeidsvoorwaarden, die zonder uitzondering voor alle schoonmakers in dienst van SKOA zijn toegepast. Voor het schaalsalaris is daarvoor op instructie van het Land (zie onder 2.9) een ‘rangenstelsel’ gevolgd, dat voorziet in de toekenning van jaarlijkse periodieke verhogingen tot het maximum van de schaal c.q. rang is bereikt. Dat gebeurde in de jaren 2015 tot 2022 automatisch. De aanvullende uitkeringen maakten, zelfs met Covid-korting, een substantieel deel uit van het jaarinkomen van de werknemers waarop zij hun uitgavenpatroon hebben afgestemd. Met de voorzieningenrechter oordeelt het gerecht dat het vanwege deze feiten en omstandigheden op de weg van SKOA had gelegen, juist tegenover werknemers zoals schoonmakers die door de bank genomen weinig opleiding hebben genoten, om in verband met de hoogte van het pakket aan primaire arbeidsvoorwaarden niet voor meerdere uitleg vatbare mededelingen te doen over het tijdelijke en/of onzekere karakter daarvan. Door daarover niets te hebben verklaard en de (aanvullende) arbeidsvoorwaarden gedurende meerdere jaren automatisch, zonder uitzondering en zonder voorbehoud toe te passen, mochten de werknemers erop vertrouwen dat zij daarop jegens SKOA het recht hadden verworven. <footnote-ref linkend="_476deb80-6faa-40dd-8c54-261769bccabc" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Mocht SKOA de arbeidsvoorwaarden wijzigen?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Tussen partijen is geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgemaakt. Daarin had een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen kunnen worden. Bij het ontbreken daarvan is een werknemer in beginsel niet gehouden voorstellen van de werkgever tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. De werkgever zal dan met elke werknemer onderling overeenstemming over wijziging moeten zien te bereiken. <footnote-ref linkend="_0a6e9f7a-a4d4-4475-8a63-7bd4791b2bfe" /> Dat is SKOA in een aantal gevallen ook gelukt (zie 2.16). In het overleg met de werknemers heeft dat echter niet tot instemming geleid en komt de vraag aan de orde of de werknemers aanvaarding van het voorstel van SKOA met inachtneming van artikel 7:611 BW hebben kunnen weigeren. Daarbij verdient nog opmerking dat de in dat artikel besloten norm ook van toepassing is bij een collectieve wijziging van arbeidsvoorwaarden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <parablock>
        <para>In dit geval is in de eerste plaats problematisch of er over het voorstel van SKOA wel echt overleg is gevoerd. De werknemers hebben daarvoor hun vakbond SEPPA naar voren geschoven, en SEPPA en SKOA verwijten elkaar over en weer niet open te hebben gestaan voor overleg. De regels uit <emphasis role="italic">Stoof/Mammoet </emphasis>houden wel in dat redelijk overleg plaatsvindt. Dit betekent dat SKOA niet simpelweg mocht volstaan met het bij wijze van axioma gelijkstellen van de aanspraak op loon c.a. van de werknemers met de subsidie van het Land. Dat getuigt niet van de vereiste zorgvuldigheid die het beginsel van goed werkgeverschap in de rechtsverhouding met de werknemers met zich brengt.</para>
        <para>Zou SKOA mogen volstaan met het zonder discussie of toetsing ‘doorzetten’ van de door het Land als subsidiabel bepaalde arbeidsvoorwaarden, dan ontstaat er bovendien een gat in de rechtsbescherming van de werknemers. Zij zijn bij de bestuursrechter aangelopen tegen een formele benadering waarin enkel is vastgesteld dat zij geen akte van benoeming hebben. Daardoor lijkt het Land buiten schot te blijven in een zaak waarin hij kennelijk weloverwogen in 2015 ten behoeve van de groep schoonmakers ruimere arbeidsvoorwaarden is gaan vergoeden -vergelijkbaar met die van ambtenaren en gelijkgestelden- om deze vervolgens jaren later plompverloren weer in te trekken terwijl in de tussentijd de werknemers hun leven hadden afgestemd op het welvaartsniveau van deze arbeidsvoorwaarden. SKOA mocht dat gedrag niet kopiëren door geen opening te laten voor redelijk overleg. Niet uit te sluiten valt dat de werknemers bereid zouden zijn geweest te spreken over een loonoffer in de situatie waarin SKOA door het Land was gebracht en/of over een afbouwregeling van de aanvullende uitkeringen, al dan niet in samenhang met ook door andere geledingen van het personeel te brengen offers om de financiële situatie van SKOA te verlichten. Nu SKOA dergelijk overleg uit de weg is gegaan komt haar al om die reden geen beroep toe op artikel 7:611 BW.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Maar ook als dit overleg zonder resultaat was gebleven, zou het oordeel zijn dat SKOA de door haar gewenste wijzigingen niet mag doorvoeren. Het gerecht zou dan de volgende drie vragen moeten beantwoorden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>I. heeft SKOA, als goed werkgever, in gewijzigde omstandigheden aanleiding kunnen vinden tot het doen van haar voorstel tot wijziging van arbeidsvoorwaarden?</para>
        <para>II. is, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, het voorstel dat SKOA aan werknemers heeft gedaan redelijk?<?linebreak?>III. kan aanvaarding van dit voorstel, in het licht van de omstandigheden van het geval, in redelijkheid van werknemers, als goed werknemers, gevergd worden?</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Het antwoord op de eerste vraag luidt naar het oordeel van het gerecht bevestigend. SKOA is grotendeels afhankelijk van wat het Land als subsidie wil bekostigen en als die subsidie vermindert ontkomt SKOA niet aan het treffen van kostenbesparende maatregelen. Het stond SKOA daarom vrij aan alle werknemers een voorstel tot vrijwillige loonsverlaging te doen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>Het voorstel dat SKOA aan de werknemers heeft gedaan acht het gerecht echter niet redelijk. Van belang daarbij is dat het voorstel ziet op (blijvende) wijziging van primaire arbeidsvoorwaarden. Een dergelijk voorstel is niet snel redelijk en dat geldt zeker als dit, zoals in dit geval, meer dan 30% van het jaarinkomen van de werknemers betreft. Het loon dient voor de meeste werknemers volledig voor de kosten van levensonderhoud van de werknemer en eventueel de overige leden van het gezin waartoe hij/zij behoort en de werknemers hebben daarom een evident groot belang bij het ongewijzigd in stand blijven van het loon. Als dit vanwege de klem waarin het Land SKOA heeft geplaatst al anders is en het belang van SKOA daar tegenop weegt, dan kan dit in elk geval niet zonder overbruggingsperiode waarin loonbestanddelen worden afgebouwd om zodoende de werknemers in de gelegenheid te stellen hun uitgavenpatroon daarop af te stemmen. Daarin voorziet het voorstel van SKOA niet. Evenmin heeft SKOA voldoende toegelicht waarom niet enig offer van andere werknemers is voorgesteld of besproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>Naar het oordeel van het gerecht mochten de werknemers dan ook het wijzigingsvoorstel van SKOA afwijzen en is de desondanks door SKOA doorgevoerde eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden niet gerechtvaardigd. Partijen hebben nog gediscussieerd over de marges van een wel geoorloofde wijziging, maar dat gaat de toets van artikel 7:611 BW te buiten. Voor zover SKOA zich mede heeft beroepen op artikel 6:248 lid 2 BW geldt hetzelfde. Tot een andere beoordeling van de problematiek is het gerecht niet gehouden, nu geen vordering ex artikel 6:258 BW voorligt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>De primair gevorderde verklaring voor recht is dus toewijsbaar. Daarnaast hebben de werknemers ook een aan SKOA te geven bevel gevorderd om de daaruit voortvloeiende loonvordering alsook wettelijke verhoging en wettelijke rente te betalen. Dat is niet praktisch en kan bovendien leiden tot executieproblemen. Het moet eenvoudig mogelijk zijn om per werknemer te becijferen wat sinds 1 augustus 2022 door SKOA te weinig aan loon is betaald. Wettelijke verhoging daarover zal het gerecht niet toewijzen, omdat daar billijkheidshalve lettend op alle omstandigheden van het geval geen toereikende grond voor bestaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.15.</nr>
      <para>Voor het in het geding brengen van de hiervoor bedoelde berekeningen wordt de zaak naar de EJ rol verwezen. Uiteraard zal SKOA nog de gelegenheid krijgen om op de berekeningen te reageren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.16.</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>DE BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter in dit gerecht: </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>verwijst de zaak naar de EJ rol van 20 februari 2024 voor het door de werknemers in het geding brengen van de onder 3.14 bedoelde berekeningen;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. J.T.G. Roovers, rechter-plv., en is ondertekend door mr. J.M.J. Keltjens, rechter in dit gerecht, ter openbare terechtzitting van 23 januari 2024 in aanwezigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_476deb80-6faa-40dd-8c54-261769bccabc" label="1">
    <para> Het gerecht heeft daarbij gelet op de gezichtspunten die volgens HR 22 juni 2018, JAR 2018, 183 een rol spelen, zoals deze na verwijzing zijn toegepast door gerechtshof Den Haag 25 mei 2021, JAR 2021, 172</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0a6e9f7a-a4d4-4475-8a63-7bd4791b2bfe" label="2">
    <para> Hoge Raad 11 juli 2008, JAR 2008/204 (<emphasis role="italic">Stoof/Mammoet</emphasis>) en Hoge Raad 25 november 2022, JAR 2023/17 (<emphasis role="italic">IFF</emphasis>)</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>