<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2022:85</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-12T08:46:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-02-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA202002840</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2022:85">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2022:85</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-04-12T08:45:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2022:85 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 02-02-2022 / AUA202002840</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2022:85:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>bewijsopdracht; getuigenverhoor</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2022:85:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ec68bb5b-a242-4dc0-81b7-fc6333581abb" depth="111" width="96" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>Vonnis van 2 februari 2022</para>
    <para>Behorend bij A.R. nr. AUA202002840</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS op het verzet van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[eiser],</emphasis>
      </para>
      <para>h.o.d.n.<emphasis role="bold"> [naam eenmanszaak],</emphasis></para>
      <para>te Aruba,</para>
      <para>opposant,</para>
      <para>hierna ook te noemen: [eiser],</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[gedaagde], </emphasis>
      </para>
      <para>te Aruba,</para>
      <para>geopposeerde,</para>
      <para>hierna ook te noemen: [gedaagde],</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. E.M.J. Cafarzuza.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het op 27 februari 2020 ter griffie ingediende tegen [eiser] gerichte (oorspronkelijke) verzoekschrift van [gedaagde], met producties;</para>
      <para>- het bij verstek uitgesproken vonnis van dit Gerecht van 9 september 2020 onder zaaknummer A.R. AUA202000673 (hierna: het vonnis waarvan verzet), waarbij [eiser] uitvoerbaar bij voorraad is veroordeeld tot betaling aan [gedaagde] van Afl. 24.234,42 te vermeerderen wettelijke rente gerekend vanaf 27 februari 2020 tot de dag der voldoening Verder is [eiser] bij dat vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde] begroot op Afl. 2.250,--;</para>
      <para>- het op 11 november 2020 ter griffie ingediende verzetschrift van [eiser], met één productie;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord in oppositie van [gedaagde], met producties;</para>
      <para>- de conclusie van repliek in oppositie van [eiser] en die van Martinez.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Vonnis is met welgemeende excuses voor alle vertraging nader bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN IN OPPOSITIE</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1 [</nr>
      <para>eiser] vordert dat het Gerecht (zo het begrijpt) bij vonnis hem goed opposant verklaart, het vonnis waarvan verzet vernietigt en - opnieuw rechtdoende - de oorspronkelijke vorderingen van [gedaagde] alsnog afwijst, kosten rechtens.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2 [</nr>
      <para>gedaagde] voert verweer en concludeert tot - zo het Gerecht begrijpt - bevestiging van het vonnis waarvan verzet. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Voorzover voor de uitspraak in oppositie van belang worden de stellingen van partijen hierna besproken.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>DE BEOORDELING IN OPPOSITIE</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1 [</nr>
      <para>eiser] heeft onbestreden gesteld dat hij eerst op 29 oktober 2020 kennis heeft genomen van het vonnis waarvan verzet, toen hij op die dag dat vonnis aantrof in zijn postbus. [eiser] heeft zijn verzetschrift op 11 november 2020 ingediend bij de griffie van dit Gerecht. Dat betekent dat [eiser] binnen de daartoe geldende wettelijke termijn van 14 dagen verzet heeft ingesteld, en daarom daarin ontvankelijk is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2 [</nr>
      <para>gedaagde] heeft aan zijn oorspronkelijke vordering de stelling ten grondslag gelegd dat zijn vanuit de Verenigde Staten geïmporteerde auto van het merk/type Audi A3, Sedan 40 met als bouwjaar 2019 (hierna: de auto) gedurende de zes weken durende periode dat de auto bij de garage van [eiser] was voor het repareren van hagelschade (een aantal kleine deukjes) voor een bedrag ad Afl. 24.234,42 schade heeft bekomen aan de voorzijde daarvan welke schade [eiser] heeft geprobeerd voor [gedaagde] verborgen te houden door te trachten die te repareren. Verder heeft [gedaagde] gesteld dat hij [eiser] heeft geconfronteerd met de schade en dat [eiser] vervolgens heeft erkend dat de auto bij zijn garage schade heeft opgelopen aan de voorkant.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3 [</nr>
      <para>eiser] heeft niet betwist dat de auto zes weken bij zijn garage is geweest voor reparatie van hagelschade. [eiser] heeft de door [gedaagde] geconstateerde schade aan de auto ad Afl. 24.234,42 zoals omschreven in door [gedaagde] overgelegde schaderapport (productie 4 bij het oorspronkelijke verzoekschrift van [gedaagde]) evenmin bestreden. In het licht van die vaststaande stellingen stelt [eiser] echter dat de auto gedurende de periode dat die bij zijn garage was geen schade aan de voorkant heeft bekomen zoals gesteld door [gedaagde], en dat hij nooit heeft erkend dat daarvan sprake was. Dat verweer brengt met zich dat die stellingen van [gedaagde] vooralsnog niet vaststaan. Nu [gedaagde] levering van bewijs heeft aangeboden zal hij in de gelegenheid worden gesteld om door middel van het doen horen van getuigen te bewijzen dat de auto gedurende de zes weken durende periode dat die voor reparatie van hagelschade bij de garage van [eiser] was schade heeft opgelopen aan de voorzijde daarvan en/of dat [eiser] heeft erkend dat dit het geval was.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De zaak zal daartoe worden verwezen naar de in het dictum vermelde terechtzitting, tijdens welke maximaal drie getuigen kunnen worden gehoord. Als dan blijkt dat [gedaagde] nog meer getuigen wil doen horen zal daarvoor een nadere zitting worden bepaald. Indien de te horen getuigen de Nederlandse Taal niet of onvoldoende beheersen, dient [gedaagde] zelf zorg te dragen voor een beroepsmatig optredende tolk. [gedaagde] dient uiterlijk drie dagen voor de zitting de personalia van de door hem voor te brengen getuigen schriftelijk kenbaar te maken aan het Gerecht en aan [eiser].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>DE UITSPRAAK IN OPPOSITIE</title>
    <para>Het Gerecht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-stelt [gedaagde] in de gelegenheid om door middel van het doen horen van getuigen te bewijzen dat de auto gedurende de zes weken durende periode dat die voor reparatie van hagelschade bij de garage van [eiser] was schade heeft opgelopen aan de voorzijde daarvan en/of dat [eiser] heeft erkend dat dit het geval was;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-verwijst de zaak daartoe naar de terechtzitting van <emphasis role="bold">donderdag 24 maart 2022 om 09:00 uur</emphasis>, tijdens welke zitting maximaal 3 getuigen gehoord kunnen worden;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-bepaalt dat [gedaagde] uiterlijk drie dagen voor die zitting de personalia van de door hem voor te brengen getuigen schriftelijk kenbaar dient te maken aan het Gerecht en aan [eiser];</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-houdt iedere verdere beslissing aan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 2 februari 2022. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>