<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2022:406</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-21T09:30:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-06-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA202200185</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2022:406">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2022:406</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-21T09:25:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2022:406 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 01-06-2022 / AUA202200185</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2022:406:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verzoek ex artikel 53 van de Lar - opleggen van een dwangsom omdat verweerder geen gevolg heet gegeven aan een uitspraak. Voor een vergoeding va immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn bestaat in onderhavige procedure geen grondslag. De onderhavige procedure is slechts een procedureel instrument om verweerder tot het alsnog nemen van een beslissing te bewegen. Op geen enkele wijze wordt daarmee enig inhoudelijk geschilpunt beslecht. Zij is daarom niet geëigend om vast te stellen in hoeverre aanspraak bestaat op schadevergoeding wegens een gestelde overschrijding van de redelijke termijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2022:406:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Uitspraak van 1 juni 2022</para>
    <para>Lar nr. AUA202100185</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek ex artikel 53 van de </para>
      <para>Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">[Verzoeker],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>VERZOEKER,</para>
      <para>gemachtigde: drs. M.L. Hassell,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gericht tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">DE MINISTER VAN JUSTITIE EN SOCIALE ZAKEN,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>zetelend in Aruba,</para>
      <para>VERWEERDER.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para>Bij bevelschrift van 4 januari 2020 heeft verweerder de uitzetting van verzoeker bevolen. Tevens heeft verweerder verzoeker een periode van niet toelating van 24 maanden opgelegd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hiertegen heeft verzoeker op 30 januari 2020 een bezwaarschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van dit gerecht van 28 september 2021 (LAR AUA202101492) heeft het gerecht onder meer het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het bezwaar vernietigd en bepaald dat verweerder binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van verzoeker. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 26 januari 2022 heeft verzoeker het onderliggende verzoek op grond van artikel 53 van de Lar ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak was oorspronkelijk bepaald op 10 mei 2021. De uitspraak is ambtshalve aangehouden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is behandeld op 7 juni 2021, alwaar zijn verschenen verzoeker bij zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij mw. J. Harewood. Hierna is de zaak naar de rol verwezen voor akte-uitlating zijdens verzoeker. Verzoeker heeft geen akte ingediend.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierna is de zaak verwezen naar de parkeerrol van 6 december 2021. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerecht heeft de zaak wederom ter zitting behandeld op 20 april 2022. Verzoeker is bij zijn gemachtigde voornoemd verschenen. Verweerder is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de Lar kan, indien het bestuursorgaan niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet aan artikel 51, de wederpartij bij het gerecht een verzoek indienen tot toekenning van een vergoeding ten laste van het Land dan wel een verzoek om het bestuursorgaan te verplichten alsnog gevolg te geven aan de uitspraak. Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kan bij de beslissing op dit verzoek worden bepaald dat het bestuursorgaan aan de wederpartij een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat het in gebreke blijft aan de beslissing te voldoen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Het verzoek strekt ertoe om verweerder door middel van het opleggen van een dwangsom overeenkomstig artikel 53, tweede lid, van de Lar te verplichten gevolg te geven aan de uitspraak van 28 september 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Het gerecht overweegt dat bij het sluiten van het onderzoek niet is gebleken dat verweerder op het bezwaar van verzoeker heeft beslist. Aangenomen dient dan ook te worden dat verweerder geen gevolg heeft gegeven aan voormelde uitspraak. Het gerecht ziet hierin aanleiding om verweerder op te dragen om alsnog een beslissing op het bezwaar van verzoeker te nemen binnen een termijn van drie maanden na dagtekening van deze uitspraak, thans onder het opleggen van een dwangsom.</para>
      <para />
      <para>2. Ten aanzien van het ter zitting door verzoeker gedane verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (artikel 6 EVRM) overweegt het gerecht dat voor toekenning van een dergelijke vergoeding in de onderhavige procedure geen grondslag bestaat. Ingevolge artikel 53 van de Lar kan, indien een bestuursorgaan in gebreke blijft om uitvoering te geven aan de door het gerecht gegeven opdracht om een nieuwe beslissing te nemen, hetzij worden verzocht om toekenning van een vergoeding ten laste van het Land, hetzij om het bestuursorgaan, onder oplegging van een dwangsom, te verplichten alsnog aan de uitspraak van het gerecht te voldoen. In dit geval heeft verzoeker om het laatste verzocht. De onderhavige procedure is daarmee slechts een procedureel instrument om verweerder tot het alsnog nemen van een beslissing te bewegen. Op geen enkele wijze wordt daarmee enig inhoudelijk geschilpunt beslecht. Zij is daarom niet geëigend om vast te stellen in hoeverre aanspraak bestaat op schadevergoeding wegens een gestelde overschrijding van de redelijk termijn. </para>
      <para />
      <para>3. Nu verzoeker met recht dit verzoek heeft gedaan en hierdoor noodzakelijke kosten heeft gemaakt door met een gemachtigde op te treden, zal verweerder in de kosten van dit geding worden veroordeeld, die begroot worden op een bedrag van Afl. 700,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Afl. 700,-, wegingsfactor 0,25).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak alsnog een beslissing dient te nemen op het bezwaar van verzoeker; </para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat verweerder een dwangsom aan verzoeker verbeurt van Afl. 500,- voor elke dag dat hij in gebreke blijft om na bovengenoemde termijn van drie maanden een beslissing op bezwaar te nemen, met een maximum van Afl. 25.000;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt verweerder tot betaling van de door verzoeker voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 350,-.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2022 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>