<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2022:402</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-14T10:51:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA202201108</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2022:402">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2022:402</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-14T10:50:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2022:402 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 26-10-2022 / AUA202201108</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2022:402:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Terugvordering bijstandsuitkering</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2022:402:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="52529718-89a6-4507-9ff6-637b271e0dd1" depth="1140" width="48" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="2b8d4a6e-ce74-4cba-98a7-4821099156a4" depth="96" width="96" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>Uitspraak van 26 oktober 2022</para>
    <para>Lar nr. AUA202201108</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in de zin van de </para>
      <para>Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">[Appellante],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonend in Aruba,</para>
      <para>APPELLANTE,</para>
      <para>gemachtigde: C.S. Tromp,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gericht tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN ARBEID,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>zetelend in Aruba,</para>
      <para>VERWEERDER,</para>
      <para>gemachtigde: mr. C.L. Geerman (DWJZ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para>Bij beslissing op bezwaar van 9 maart 2022 (bestreden beschikking) heeft verweerder, opnieuw beslissend op het door appellante gemaakte bezwaar, de beschikking van 5 juni 2019, waarbij verweerder Afl. 3.785,- aan appellante uitbetaalde bijstand heeft teruggevorderd, gehandhaafd.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daartegen heeft appellante op 21 april 2022 beroep ingesteld bij dit gerecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 16 juni 2022 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft nadere stukken ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 14 september 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschijnen bij zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <bridgehead role="italic">De feiten</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Verweerder heeft aan appellante met ingang van december 2018 de aan appellante toegekende bijstandsuitkering verhoogd tot een bedrag van Afl. 1.715,- per maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Vanaf 1 februari 2019 tot en met 31 maart 2019 heeft appellante werkzaamheden verricht bij [winkel]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Bij beschikking van 5 juni 2019 heeft verweerder de met ingang van december 2018 verhoogde bijstandsuitkering aan appellante met ingang van 1 mei 2019 stopgezet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Bij beschikking van diezelfde datum, kenmerk [kenmerk], heeft verweerder met betrekking tot de perioden van 1 tot en met 22 december 2017 en van 1 februari 2019 tot april 2019 een bedrag van Afl. 3.785,- van appellante teruggevorderd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Tegen de onder 1.3 en 1.4 vermelde beschikkingen heeft appellante op 9 juli 2019 bezwaar gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Bij beschikking van 4 februari 2021 heeft verweerder het aldus gemaakte bezwaar buiten behandeling gesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6</nr>
      <para>Bij uitspraak van dit gerecht van 6 december 2021 (Lar nr. AUA202100700) heeft het gerecht het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de beschikking van 4 februari 2021 vernietigd, en bepaald dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellante met inachtneming van de uitspraak.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De beoordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Appellante betoogt dat verweerder ten onrechte de bijstand van haar heeft teruggevorderd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Dit betoog slaagt. Volgens vaste rechtspraak (onder meer GHvJ 4 juni 2007, ECLI:NL:OGHNAA:2007:BG2328), is terugvordering van bijstand slechts mogelijk, indien deze onverschuldigd is betaald. Verweerder heeft de bijstandsuitkering aan appellante bij beschikking van 5 juni 2019 met ingang van 1 mei 2019 stopgezet. Niet is gebleken dat de beschikking, waarbij aan appellante bijstand is toegekend, eerder dan bij voormelde beschikking is gewijzigd of ingetrokken. Verweerder heeft aan de in de bestreden beschikking bepaalde terugvordering ten grondslag gelegd dat appellante over de perioden van 1 tot en met 22 december 2017 en van 1 februari 2019 tot april 2019 te veel bijstand heeft genoten, omdat zij gedurende de desbetreffende periode inkomsten had, waar ten onrechte geen rekening mee is gehouden. Nu vaststaat dat ten tijde van de terugvordering de beschikking, waarbij aan appellante over de desbetreffende perioden bijstand is toegekend, niet was gewijzigd of ingetrokken, is de aan appellante over de desbetreffende perioden dan ook krachtens die beschikking betaald en is daarom niet onverschuldigd. Het aldus aan appellante betaalde bedrag kan dan ook niet van haar worden teruggevorderd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Gelet op het vorenstaande kan de bestreden beschikking niet in stand blijven. Het beroep is dan ook gegrond. De bestreden beslissing zal worden vernietigd. Het gerecht ziet aanleiding om zelf in de zaak voorziend de beschikking van 5 juni 2019 ter zake van de terugvordering te herroepen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt de bestreden beschikking; </para>
    <para>- herroept de beschikking van verweerder van 5 juni 2019, kenmerk </para>
    <para>[kenmerk];</para>
    <para>- gelast de teruggave van het door appellante gestorte griffierecht van Afl. 25,-.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 26 oktober 2022, in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken). </para>
      <para>Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen: </para>
    </parablock>
    <para>1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak; </para>
    <para>2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende: </para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,</para>
    <para>b. de dag van ondertekening,</para>
    <para>c. waartegen u in hoger beroep komt, </para>
    <para>d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>