<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2022:299</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-30T11:53:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-08-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-08-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA202200594</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2022:299">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2022:299</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-08-25T10:35:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2022:299 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 22-08-2022 / AUA202200594</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2022:299:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>bezwaarschrift ex artikel 96 van de La - verzoek schadevergoeding</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2022:299:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e1977204-d9ac-40b8-bd4e-4933fb2d294c" depth="1140" width="48" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>Uitspraak van 22 augustus 2022</para>
    <para>Gaza nr. AUA202200594</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het bezwaarschrift in de zin van artikel 96 van de</para>
      <para>Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">[Klaagster],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonend te Aruba,</para>
      <para>KLAAGSTER,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. H.S. Croes,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">DE GOUVEURNEUR VAN ARUBA,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>zetelend te Aruba,</para>
      <para>VERWEERDER,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.F.J. Caster (DWJZ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 8 september 2021 van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (zaaknummer AUA20170H00165), heeft de Raad onder meer besloten dat verweerder een reële beslissing dient te nemen op het verzoek van klaagster om te worden benoemd tot Hoofd Veterinaire Dienst.</para>
      <para>Het gerecht heeft met toestemming van partijen kennisgenomen van dit dossier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Klaagster heeft op 8 maart 2022 een bezwaarschrift in de zin van artikel 96 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 24 mei 2022 een contramemorie ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 30 mei 2022. Klaagster is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <bridgehead role="italic">De standpunten van partijen</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>Klaagster heeft – samengevat – gesteld dat verweerder na verloop van zes maanden na de uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van 8 september 2021 nog geen beslissing heeft genomen op haar verzoek om benoemd te worden in de functie van hoofd Veterinaire Dienst (VD), en dat zij schade lijdt door deze onbegrijpelijke en hardnekkige weigering van verweerder om gevolg te geven aan voornoemde uitspraak van de Raad. </para>
        <para>Zij verzoekt </para>
        <para>- primair: om te bepalen dat zij vanaf 2014 wordt benoemd in de functie van Hoofd VD op verbeurte van een dwangsom, </para>
        <para>- subsidiair: om verweerder op te dragen als passende vorm van schadevergoeding, haar binnen drie weken na deze uitspraak te benoemen in de functie van hoofd VD op verbeurte van een dwangsom,</para>
        <para>- meer subsidiair: om verweerder te veroordelen om als schadevergoeding aan haar te betalen hetgeen zij had behoren te ontvangen ware zij wel vanaf 2014 tot hoofd VD was benoemd, plus de directeurentoelage en voorziening voor pensioen. </para>
        <para>Klaagster heeft ter zitting aangevoerd dat alleen zij, als enige dierenarts in dienst van het Land, op grond van verschillende landsverordeningen in de functie van hoofd VD kan worden benoemd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Verweerder heeft aangevoerd, dat artikel 96 van de La slechts grondslag biedt voor de bevoegdheid om bij het niet uitvoeren van een uitspraak schadevergoeding vast te stellen met terzijdestelling van de uitspraak, en dat met de vernietiging van de fictieve afwijzende beschikking nog niet vast is komen te staan dat klaagster voor de benoeming als hoofd VD in aanmerking komt. Er staat daarom nog niet vast dat klaagster schade heeft geleden, zodat het verzoek tot schadevergoeding niet kan worden toegewezen. Verweerder heeft verder aangevoerd dat klaagster vanaf 1 maart 2018 tot heden niet werkzaam is bij de VD, en ter beschikking is gesteld van het bureau van de minister van Algemene Zaken, en dat vanaf februari 2017 iemand anders de functie van hoofd VD waarneemt. Ten slotte heeft verweerder te kennen gegeven dat de sollicitatieprocedure voor de functie hoofd VD binnenkort wordt opengesteld. Verweerder concludeert tot het ongegrond verklaren van onderhavig bezwaar.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Relevante wet- en regelgeving</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 96, eerste lid van de La, is de ambtenaar bevoegd deswege een bezwaarschrift bij het gerecht in te dienen, indien – voor zover van belang – aan bij onherroepelijk geworden rechterlijke beslissing opgelegde veroordeling in zover zij niet op geld luidt, niet of niet volledig gevolg wordt gegeven. </para>
        <para>Ingevolge het derde lid veroordeelt het gerecht, indien het bezwaar gegrond bevonden wordt, het betrokken lichaam tot vergoeding en stelt, met inachtneming van alle omstandigheden, het bedrag der schadevergoeding bij de beslissing vast. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Ingevolge (het gewijzigde) artikel 1, lid 1 aanhef en onder V van de Slacht- en keuringsverordening (AB 1996 no. GT 4, zoals laatstelijk gewijzigd bij AB 2019 no. 28, inwerking getreden op 14 maart 2020) wordt in deze landsverordening onder Hoofd verstaan, ambtenaar, belast met de leiding van de organisatorische eenheid die tot taak heeft veterinaire activiteiten te verrichten. Ingevolge het tweede lid kan de minister, belast met volksgezondheid, bepalen dat het Hoofd tevens een deskundige op het gebied van diergeneeskunde moet zijn. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De feiten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Klaagster is met ingang van 1 september 2008 aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst bij de Directie Volksgezondheid, afdeling Veterinaire Dienst (hierna: VD), en benoemd in de functie en rang van dierenarts zonder vergunning voor particulier praktijk in schaal 13. Met ingang van 1 oktober 2010 is klaagster in vaste dienst benoemd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Bij Landsbesluit van 27 oktober 2009 is klaagster, in haar hoedanigheid van ambtenaar/dierenarts werkzaam bij de VD, aangewezen als ambtenaar belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Slacht- en keuringsverordening, de Landsverordening invoer kleine dieren, de Natuurbeschermingsverordening, en de Quarantaineverordening.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Bij Landsbesluit van 18 april 2012 is klaagster voor het kalenderjaar 2011 aangewezen als tweede waarnemer van het hoofd VD. Bij Landsbesluit van 1 november 2016 is klaagster voor het kalenderjaar 2016 aangewezen als eerste waarnemer van het hoofd VD. Vanaf 19 april 2014 tot 2 februari 2017 heeft klaagster de functie van hoofd VD volledig waargenomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Bij brief van 30 december 2013 heeft klaagster het Managementteam van de Directie Volksgezondheid te kennen gegeven, bereid te zijn de functie van hoofd VD te vervullen na vertrek van het (toenmalige) waarnemend hoofd. Bij brief van 17 januari 2017 heeft klaagster verzocht haar te benoemen tot hoofd VD.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Bij brief van 24 november 2014 heeft het Managementteam van de Directie Volksgezondheid de betreffende minister verzocht om klaagster met ingang van 1 december 2014 aan te stellen als hoofd VD. Bij brief van 9 september 2016 heeft het managementteam voornoemd verzoek ingetrokken, waarbij is aangekondigd dat de Directie Volksgezondheid bij goedkeuring van het formatierapport, met een open sollicitatie-/plaatsingsprocedure zal beginnen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Klaagster is op 2 februari 2017 door de directeur DVG meegedeeld, dat besloten is haar niet te benoemen in de functie van hoofd VD. Hiertegen heeft klaagster bezwaar gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Vooruitlopende op voornoemde goedkeuring van het formatierapport is de heer [persoon X] op 10 februari 2017 aangevangen als waarnemend hoofd VD. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Bij uitspraak van dit gerecht van 11 september 2017 (zaaknummer AUA201700146) is het bezwaar van klaagster gericht tegen voornoemde mededeling, niet-ontvankelijk verklaard. In beroep, bij uitspraak van 8 september 2021 (zaaknummer AUA20170H00165), heeft de Raad deze uitspraak vernietigd en verweerder opgedragen een reële beslissing te nemen op het verzoek van klaagster.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De beoordeling</emphasis>
        </para>
        <para>4. Het gerecht stelt vast dat verweerder tot de dag van de behandeling van onderhavig bezwaarschrift geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van 8 september 2021, waarbij hem is opgedragen een reële beslissing te nemen op het verzoek van klaagster om haar te benoemen tot hoofd VD. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>Wat betreft hetgeen klaagster primair en subsidiair verzoekt, overweegt het gerecht als volgt.</para>
        <para>Conform bestendige jurisprudentie van de Raad<footnote-ref linkend="_2ea7ea73-4e34-4010-8978-4b39a090eb99" /> kan de in artikel 96 La neergelegde bevoegdheid schadevergoeding op te leggen gelet op de bewoordingen van deze bepaling, slechts worden toegepast met terzijdestelling van de niet uitgevoerde uitspraak. Die uitspraak wordt aldus vervangen door een schadevergoeding. Dit artikel geeft niet de bevoegdheid om bij te late uitvoering van de uitspraak een schadevergoeding op te leggen of een als vooraf bepaalde schadevergoeding aan te merken dwangsom.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Het voorgaande leidt dan ook tot de slotsom dat hetgeen klaagster primair en subsidiair verzoekt, niet voor inwilliging vatbaar is, en het bezwaar in zoverre ongegrond is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>Wat betreft het onder meer subsidiair gevorderde, overweegt het gerecht als volgt. Volgens vaste jurisprudentie is er voor een toekenning van schadevergoeding overeenkomstig artikel 96, derde lid, van de La slechts plaats, indien op grond van de niet uitgevoerde uitspraak met de nodige zekerheid kan worden vastgesteld wat de inhoud diende te zijn van de beslissing die verweerder heeft nagelaten te nemen. Eerst dan kan immers worden vastgesteld of het niet nakomen van de uitspraak van het gerecht tot schade aan de zijde van klaagster heeft geleid en hoe groot die schade is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <parablock>
        <para>In dit geval kan het verzoek van klager om vergoeding van schade niet worden toegewezen, nu nog niet vaststaat dat klager schade heeft geleden. </para>
        <para>De uitspraak van de Raad van 8 september 2021 brengt immers niet zonder meer met zich dat verweerder gehouden is het verzoek van klaagster in te willigen. In die uitspraak heeft de Raad weliswaar overwogen dat verweerder inhoudelijk dient te beslissen op het verzoek van klaagster om te worden benoemd in de functie van hoofd VD, maar daarmee is nog niet vast komen te staan dat klaagster voor de verzochte benoeming in aanmerking komt. Het gerecht volgt klaagster daarbij niet in haar betoog dat zij als enige benoemd kan worden in die functie omdat alleen zij, als de aangewezen veearts, bepaalde taken kan uitvoeren. Behalve dat klaagster niet is benoemd als veearts, geldt dat uit de wet, met name de Slacht- en keuringsverordening, niet volgt dat alleen een vee- of dierenarts als hoofd VD kan worden benoemd. Dat klaagster is aangewezen als ambtenaar belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens verschillende landsverordeningen, brengt evenmin met zich dat zij als hoofd VD dient te worden benoemd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7. Het bezwaar zal gelet op het bovenstaande, de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting, ongegrond worden verklaard. Het vorenstaande laat onverlet dat verweerder uit oogpunt van zorgvuldigheid en zijn voorbeeldfunctie in de maatschappij nog immer gehouden is op het verzoek van klager te beslissen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het bezwaar ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 22 augustus 2022, in tegenwoordigheid van de griffier</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>In de andere gevallen: binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij:</para>
      <para>De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken</para>
      <para>J.G. Emanstraat 51</para>
      <para>Oranjestad</para>
      <para>Aruba</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen: </para>
    </parablock>
    <para>1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak; </para>
    <para>2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende: </para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,</para>
    <para>b. de datum van ondertekening,</para>
    <para>c. waartegen u in hoger beroep komt, </para>
    <para>d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2ea7ea73-4e34-4010-8978-4b39a090eb99" label="1">
    <para> Raad van Beroep in Ambtenarenzaken, 20 september 2007, ECLI:NL:ORBANAA:2007:BK4262</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>