<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2022:122</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-16T17:00:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA202100660</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2022:122">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2022:122</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-16T17:00:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2022:122 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 06-04-2022 / AUA202100660</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2022:122:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Civiel. Vordering erkend en wordt toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2022:122:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Vonnis van 6 april 2022</para>
    <para>Behorend bij A.R. no. AUA202100660</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[naam eiser],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te Aruba,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>gemachtigden: de advocaat mr. G. de Hoogd,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[naam gedaagde],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te Aruba,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het verzoekschrift met producties;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord met producties;</para>
      <para>- het vonnis van 2 juni 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Op 22 maart 2022 heeft -0 na uitstel - een comparitie van partijen plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen en hebben op vragen van het Gerecht geantwoord. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Vonnis is vervolgens bepaald op heden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>DE FEITEN</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden, alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden, staat onder meer het volgende vast tussen partijen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Eiser is de vader van gedaagde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>In 2014 heeft eiser, na een herseninfarct te hebben gehad, aan gedaagde de inloggegevens van zijn Nederlandse bankrekening gegeven, zodat gedaagde zo nodig betalingen voor hem zou kunnen verrichten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>In 2019 is eiser gebleken dat gedaagde in de periode juli 2014 tot en met april 2019 zonder zijn toestemming gelden van zijn rekening had opgenomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Op 18 september 2019 heeft gedaagde een schuldbekentenis getekend, waarin zij verklaart een bedrag van Afl. 88.350,- aan eiser te zijn verschuldigd, verminderd met een bedrag van Afl. 2.500,- dat zij aan eiser heeft terugbetaald en vermeerderd met een op dat moment overeengekomen rente van 10% over de hoofdsom. Gedaagde verklaart voorts derhalve per 18 september 2019 een bedrag van Afl. 94.685,- verschuldigd te zijn en dit bedrag in maandelijkse termijnen van minimaal Afl. 1.000,- at te lossen, met dien verstande dat zij in de maanden oktober 2019 en november 2019 Afl. 500,- zal aflossen. In de schuldbekentenis is verder bepaald dat als de schuld niet wordt afgelost, deze direct opeisbaar is en dat gedaagde (in dat geval) onder meer buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd.    </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Gedaagde heeft nadien, ondanks aanmaning, in totaal Afl. 1.000,- afgelost. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>DE VORDERING</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Eiser vordert dat het Gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt om aan eiser te betalen een bedrag van Afl. 93.685,-, vermeerderd met Afl. 700,- aan buitengerechtelijke incassokosten en met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Gedaagde erkent het gevorderde bedrag verschuldigd te zijn, maar voert aan niet bij machte te zijn (geweest) de schuld af te lossen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover voor de uitspraak van belang – ingegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>DE BEOORDELING</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>Gedaagde heeft ook op zitting erkend zonder toestemming van eiser gelden van diens bankrekening te hebben opgenomen en het resterende bedrag van Afl. 93.685,- aan eiser verschuldigd te zijn. Gelet hierop is de vordering van eiser toewijsbaar. Dat gedaagde in financieel slechte omstandigheden heeft verkeerd, doet daar niet aan af. </para>
        <para>Zoals ter zitting besproken zal gedaagde haar financiële situatie in kaart moeten brengen, zodat zij met de door eiser (ter zitting aangezegde) in te schakelen deurwaarder een (nieuwe) betalingsregeling kan proberen te treffen.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Gedaagde wordt als de in het ongelijk te stellen partij veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van eiser gevallen. Deze kosten worden tot op heden begroot op Afl. 940,- aan griffierecht, Afl. 213,35 aan verschotten en Afl. 3.000,- (2 punten tarief 6) aan salaris advocaat. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden als onweersproken eveneens toegewezen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>DE UITSPRAAK</title>
    <para>Het Gerecht:</para>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van een bedrag van Afl. 93.685,-;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van Afl. 700,- aan buitengerechtelijke incassokosten;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, aan de zijde van eiser tot op heden begroot op Afl. 940,- aan griffierecht, Afl. 213,35 aan verschotten en Afl. 3.000,- (2 punten tarief 6) aan salaris gemachtigde;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 6 april 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para />
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>