<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2022:119</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-16T16:54:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-04-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA202001013</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2022:119">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2022:119</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-05-16T16:53:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2022:119 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 06-04-2022 / AUA202001013</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2022:119:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Civiel. Schuldvordering</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2022:119:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Vonnis van 6 april 2022</para>
    <para>Behorend bij A.R. nr. AUA202001013</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap <emphasis role="bold">Island Finance Aruba N.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Aruba, </para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>hierna: IFA,</para>
      <para>gemachtigden: mr. M.E.D. Brown,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>[gedaagde 1],</title>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. [gedaagde 2]</emphasis>,</para>
    <parablock>
      <para>beiden wonend te Aruba, </para>
      <para>gedaagden, </para>
      <para>hierna: [gedaagden],</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- verzoekschrift met producties, ingekomen op 15 april 2020,</para>
      <para>- akte vermindering van eis,</para>
      <para>- schriftelijk verweer van [gedaagde 2], </para>
      <para>- conclusie van repliek,</para>
      <para>- schriftelijke reactie van [gedaagde 2].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Vonnis is nader bepaald op vandaag.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>HET GESCHIL EN DE BEOORDELING DAARVAN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>IFA vordert na vermindering van haar eis -samengevat- dat het gerecht [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van Afl. 5.391,88 vermeerderd met de wettelijke rente over de openstaande hoofdsom per 12 februari 2019 tot de dag van betaling, de buitengerechtelijke incassokosten van Afl. 750,-- en de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>IFA legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde 1] tekort komt in de nakoming van de geldleningsovereenkomst die zij op 28 juli 2016 met IFA heeft gesloten. [gedaagde 2] wordt tot betaling aangesproken omdat zij zich borg heeft gesteld voor de nakoming van de verbintenis tot betaling van [gedaagde 1]. De vermindering van eis van IFA is ingegeven door het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van 21 april 2020 (ECLI:NL:OGHACMB:2020:84), waarin het onder meer heeft overwogen dat in het geval van kredietverlening aan consumenten met een vaste baan voor een looptijd van een jaar of langer waarbij geen of louter persoonlijke zekerheden (zoals borgtocht) zijn bedongen kan worden aangenomen dat een APR hoger dan 27% nietig is wegens strijd met de Arubaanse goede zeden en openbare orde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.  [</nr>
      <para>gedaagde 1] heeft geen verweer gevoerd. Tegen haar zal de gevorderde hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente worden toegewezen. [gedaagde 2] betwist niet dat [gedaagde 1] haar verplichtingen jegens IFA niet nakomt en realiseert zich dat zij zich als borg heeft verbonden, maar, zo begrijpt het gerecht, zij vindt het niet eerlijk dat zij wordt aangesproken, terwijl [gedaagde 1] wel in staat is haar verantwoordelijkheid te nemen. Voor zover [gedaagde 2] daarmee bedoelt dat zij niet als borg kan worden aangesproken, omdat IFA niet voldoende heeft gedaan om te constateren dat [gedaagde 1] haar verplichtingen niet nakomt, slaagt dat verweer niet. IFA heeft [gedaagde 1] gesommeerd tot betaling, maar dat had kennelijk geen effect. Nu [gedaagde 1] in haar verplichtingen tekort is geschoten mag IFA [gedaagde 2] als borg aanspreken. [gedaagde 2] is gesommeerd tot betaling, zonder dat dat effect had. De vordering van de hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente is daarom ook tegen [gedaagde 2] toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, nu die niet aannemelijk zijn gemaakt. Een enkele sommatiebrief is daarvoor niet voldoende. De kosten daarvan worden geacht te zijn inbegrepen in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de proceskosten van IFA moeten vergoeden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>DE UITSPRAAK</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerecht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan IFA van een bedrag van Afl. Afl. 5.391,88 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2019 tot de dag van betaling;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de kant van IFA begroot op Afl. 1.448,20 + griffiegeld, waarvan Afl. 1.000,-- aan salaris gemachtigde (2 punten, tarief 3);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. van Voorthuizen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 6 april 2022 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>