<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2021:426</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-18T12:02:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-09-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA201803075</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2021:426">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2021:426</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-10-18T12:02:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2021:426 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 01-09-2021 / AUA201803075</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2021:426:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>civiel, maximale rente</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2021:426:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="a37d5c35-2c0c-49e8-8884-27060f520c3d" depth="1145" width="48" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="66f7603a-b611-4925-abcf-974f1507611c" depth="111" width="96" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>Vonnis van 1 september 2021</para>
    <para>Behorend bij A.R.B.B. nr. AUA201803075</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">ISLAND FINANCE ARUBA N.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd in Aruba, </para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>hierna ook te noemen: IFA,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">[GEDAAGDE]</emphasis>, </para>
      <para>wonende in Aruba, </para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>hierna ook te noemen: [Gedaagde],</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure tot 21 augustus 2019 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum krachtens welke de zaak om voor de bij partijen genoegzaam bekende reden naar de parkeerrol is verwezen. De verdere procedure blijkt uit: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>-de door IFA op 22 juni 2020 genomen akte na comparitie, tevens houdende een vermindering van eis, met één productie;</para>
        <para>-de door [gedaagde] genomen antwoordakte.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Vonnis is nader bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN NA VERMINDERING VAN EIS</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>IFA vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] veroordeelt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>-om aan IFA te betalen Afl. 9.152,43, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 15 juli 2018, met dien verstande dat na iedere na 15 juli 2018 verrichte betaling de wettelijke rente verschuldigd is over de dan nog resterende hoofdsom, en voorts te vermeerderen met Afl. 750,-- aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>-in de proceskosten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2 [</nr>
      <para>Gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door IFA verzochte, kosten rechtens.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Voor zover van belang voor de uitkomst van deze procedure worden de stellingen van partijen hierna (verder) besproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>DE VERDERE BEOORDELING</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het Gerecht volhardt bij zijn in de tussenvonnissen neergelegde overwegingen en beslissingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Inmiddels heeft het Hof bij vonnis van 21 april 2020 de vraag wat in Aruba door een gelduitlener als IFA aan maximale rente mag worden bedongen ten opzichte van de geldlener beantwoord. Uit dat onherroepelijk geworden vonnis volgt dat IFA maximaal 27% aan APR mag overeenkomen met [gedaagde] (en haar medeschuldenaar [medeschuldenaar], hierna: [mede schuldenaar]), en dat het meerdere daarvan nietig is op grond van het eerste lid van artikel 3:40 BW.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>In het licht en met inachtneming van het vorenstaande heeft IFA met een productie onderbouwd een herberekening uitgevoerd van wat [gedaagde] volgens IFA aan haar verschuldigd is uit hoofde van de bij partijen genoegzaam bekende overeenkomst van geldlening. Die berekening heeft [gedaagde] niet bestreden, zodat vast komt te staan dat [gedaagde] in hoofdsom Afl. 9.152,43 opeisbaar verschuldigd is aan IFA, te vermeerderen met de niet door [gedaagde] bestreden wettelijke rente zoals door IFA gevorderd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Het Gerecht gaat voorbij aan de door IFA bestreden stelling van [gedaagde] dat IFA haar pijlen niet op haar maar op [medeschuldenaar] had moeten richten. Uit de door IFA met [gedaagde] gesloten overeenkomst van geldlening, die ook door [medeschuldenaar] is ondertekend als zijnde medeschuldenaar, volgt dat [gedaagde] en [medeschuldenaar] hoofdelijk zijn verbonden jegens IFA ter zake van terugbetaling van het van IFA geleende bedrag. Dat brengt mee dat IFA ook bevoegd is om alleen [gedaagde] in rechte te betrekken zoals zij heeft gedaan, terwijl [gedaagde] bevoegd is om voor de helft van hetgeen zij krachtens dit vonnis heeft betaald aan IFA regres te voeren op [medeschuldenaar]. Het te dezen opgeworpen verweer van [gedaagde] wordt verworpen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>IFA heeft onbestreden gesteld dat zij met betrekking tot [gedaagde] buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. Naar het oordeel van het Gerecht mocht IFA redelijkerwijs die werkzaamheden verrichten, en de door IFA daarvoor verzochte in overeenstemming met het Procesreglement zijnde vergoeding is ook redelijk. Het verweer van [gedaagde] op dit onderdeel wordt ook verworpen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6 [</nr>
      <para>Gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die nopen tot een ander oordeel. De proceskosten van IFA worden begroot op Afl. 100,-- aan verschotten (griffiegeld) en Afl. 1.250,-- aan salaris voor de gemachtigde (2,5 punten, tarief 3 ad Afl. 500,-- per punt).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>DE UITSPRAAK</title>
    <para>Het Gerecht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-veroordeelt [gedaagde] om aan IFA te betalen Afl. 9.152,43, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 15 juli 2018, met dien verstande dat na iedere na 15 juli 2018 verrichte betaling de wettelijke rente verschuldigd is over de dan nog resterende hoofdsom, en voorts te vermeerderen met Afl. 750,-- aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van IFA, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.350,--;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 1 september 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 1 september 2021</para>
      <para>Instantie: Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</para>
      <para>Zaaknummer: ARBB nr. AUA201803075</para>
      <para>Inhoudsindicatie: civiel, maximale rente.</para>
      <para>Formele relaties (optioneel):</para>
      <para>Rechtsgebieden: Civiel</para>
      <para>Rechter: mr. A.H.M. van de Leur</para>
      <para>Bijzondere kenmerken:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>