<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2021:313</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-09T12:07:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA202101201</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2021:313">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2021:313</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-09T12:07:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2021:313 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 23-06-2021 / AUA202101201</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2021:313:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 54 van de Lar - Meldingsplicht - De voorzieningenrechter is niet gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat verweerder had moeten afzien van zijn bevoegdheid een meldingsplicht aan verzoekster op te leggen. Voorts is, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, niet gebleken dat de meldingsplicht onevenredig bezwarend is voor verzoekster.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2021:313:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="4ac76888-cd76-4da2-9ea2-7404b0bc6222" depth="1140" width="48" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>Uitspraak van 23 juni 2021</para>
    <para>Lar nr. AUA202101201</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek in de zin van artikel 54 van de </para>
      <para>Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">[Verzoekster],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>van Venezolaanse nationaliteit,</para>
      <para>VERZOEKSTER,</para>
      <para>gemachtigde: drs. M.L. Hassell,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gericht tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>zetelend in Aruba,</para>
      <para>VERWEERDER,</para>
      <para>gemachtigde: mw. J.M. Harewood (DIMAS).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para>Op 3 mei 2021 heeft verweerder aan verzoekster schriftelijk een meldingsplicht/werkverbod (de bestreden beschikking) opgelegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hiertegen heeft verzoekster op 4 mei 2021 bezwaar gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 4 mei 2021 heeft verzoekster bij dit gerecht een verzoekschrift ex artikel 54 van de Lar ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het gerecht heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 juni 2021, alwaar zijn verschenen verzoekster bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bepaald op heden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <parablock>
      <para>1. Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. </para>
      <para>Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de aan haar opgelegde meldingsplicht onredelijk bezwarend is. Verzoekster acht de bestreden beschikking in strijd met het Vluchtelingenverdrag, daar een lopende asielaanvraag heeft. Voor de duur van de asielprocedure geldt dan ook dat verzoekster niet naar haar land van herkomst mag worden teruggestuurd. Voorts voert verzoekster aan dat verweerder bij uitspraak van 16 april 2019 door de voorzieningenrechter reeds is verboden om verzoekster uit te zetten alvorens op haar bezwaar van 19 maart 2019, gericht tegen de afwijzing van verzoeksters asielaanvraag, is beslist. Verweerder handelt met oplegging van deze meldingsplicht dan ook in strijd met deze uitspraak en tracht op oneigenlijke wijze verzoekster toch uit te zetten, aldus verzoekster. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Verweerder heeft ter zitting, desgevraagd, aangevoerd dat de meldingsplicht een toezichtmaatregel is en niet, zoals verzoekster meent, een uitzettingshandeling. Voorts heeft verweerder ter zitting medegedeeld dat verzoekster niet zal worden uitgezet tot op verzoeksters bezwaar van 19 maart 2019 is beslist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Ltu, zijn met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde belast de migratieambtenaren en de politieambtenaren, alsmede de daartoe bij landsbesluit aangewezen ambtenaren. Verweerder is in dat kader bevoegd tot het opleggen van een meldingsplicht. Deze bevoegdheid wordt evenwel begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. </para>
        <para>Aan de orde is de vraag of verweerder op goede grond heeft besloten aan verzoekster een meldingsplicht op te leggen. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Verzoekster verblijft sinds 4 mei 2017 zonder geldige verblijfstitel in Aruba en heeft eerst op 21 november 2018 een asielaanvraag ingediend. Bij beschikking van 13 maart 2019 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen en verzoekster aangezegd dat zij binnen dertig dagen na de datum van verzending van de beschikking het land Aruba dient te verlaten. Bij uitspraak van dit gerecht (Lar nr. AUA201900859) van 16 april 2019 heeft de voorzieningenrechter verweerder verboden verzoekster Aruba uit te zetten totdat op het bezwaar van verzoekster van 19 maart 2019 is beslist. Bij bevelschrift van 1 mei 2021 heeft verweerder de inbewaringstelling van verzoekster bevolen. Bij proces-verbaal van de rechter-commissaris van 3 mei 2021 is de inbewaringstelling opgeheven nu ten tijde van de toetsing is gebleken dat er (nog) geen beslissing is genomen op dat bezwaar van verzoekster van 19 maart 2019. Op 3 mei 2021 heeft verweerder aan verzoekster schriftelijk een meldingsplicht/werkverbod opgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>De voorzieningenrechter is niet gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat verweerder had moeten afzien van zijn bevoegdheid een meldingsplicht aan verzoekster op te leggen. Voorts is, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter, niet gebleken dat de meldingsplicht onevenredig bezwarend is voor verzoekster. Verzoeksters betoog dat het moeilijk is om transport te regelen om zich drie keer per week te gaan melden, is onvoldoende om tot die conclusie te komen. De voorzieningenrechter acht onder deze omstandigheden het belang van verweerder om de meldingsplicht op te leggen in het kader van toezicht op vreemdelingen zwaarder dan het belang van verzoekster bij schorsing van de meldingsplicht, die niet onredelijk belastend wordt geacht.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Beslist wordt als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- wijst het verzoek af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. M. Soffers, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2021 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>