<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2021:230</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-08T14:40:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-05-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA202100790</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2021:230">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2021:230</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-08T14:40:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2021:230 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 05-05-2021 / AUA202100790</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2021:230:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van administratiefrechtelijke inbewaringstelling tot opheffing van de inbewaringstelling (ex art. 16 lid 3, van de Ltu).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2021:230:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="5688e6be-11d8-4ec7-a342-635ff29693c3" depth="1140" width="48" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>Uitspraak van 5 mei 2021</para>
    <para>Ltu nr. AUA202100790</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>van de rechter-commissaris belast met de behandeling van </para>
      <para>administratiefrechtelijke inbewaringstelling, op het verzoek ex artikel 16, lid 3 van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">[Verzoeker],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>van Venezolaanse nationaliteit, </para>
      <para>VERZOEKER,</para>
      <para>gemachtigde: J.J.C. Odor, LL.M.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para>Bij beschikking van 3 maart 2021 heeft de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie (minister) de ophouding van verzoeker bevolen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 23 maart 2021 heeft verzoeker daartegen bezwaar gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij bevelschrift van 24 maart 2021 heeft de minister de inbewaringstelling van verzoeker bevolen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 25 maart 2021 heeft verzoeker het gerecht verzocht de beschikking tot ophouding van 3 maart 2021 te schorsen totdat op het daartegen gemaakte bezwaar is beslist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 26 maart 2021 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat de inbewaringstelling rechtmatig is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is behandeld ter zitting van 28 april 2021, waar zijn verschenen verzoeker (via videoverbinding), bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en de minister, vertegenwoordigd door mr. E. Vos, werkzaam bij DIMAS. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bepaald op heden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BEOORDELING</title>
    <bridgehead role="italic">Het wettelijk kader</bridgehead>
    <para>1. Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Ltu wordt de betrokkene binnen 72 uur betrokkene voor een rechter-commissaris geleid, die de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming toetst. Een bevel tot inbewaringstelling kan door de rechter-commissaris te allen tijde op verzoek van de betrokkene worden opgeheven.</para>
    <para />
    <para>2. Ten tijde van het indienen van het verzoek van 25 maart 2021 was de beschikking tot ophouding van 3 maart 2021 reeds komen te vervallen. De vrijheidsontneming van verzoeker is met ingang van 24 maart 2021 gegrond op het bevel tot bewaring van die datum. Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat hij met het verzoek van 25 maart 2021 heeft beoogd de rechter-commissaris te verzoeken om de bewaring op te heffen. Aan dat verzoek heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat de voortzetting van de bewaring onrechtmatig is, omdat het belang van verzoeker om in vrijheid te worden gesteld van groter gewicht moet zijn dan het belang van de minister om de bewaring te doen voortduren, nu hij sinds 3 maart 2021 in detentie zit. </para>
    <para />
    <para>3. Het oordeel van de rechter-commissaris van 26 maart 2021 dat de inbewaringstelling rechtmatig is, is een in rechte onaantastbaar oordeel en is daarom in deze procedure niet meer in geding. Uitsluitend ligt ter beoordeling voor of bij afweging van de betrokken belangen het voortduren van de bewaring rechtmatig is. In het bijzonder is daarbij van belang of er, mede gezien de duur van de bewaring, nog zicht is op uitzetting van de verzoeker en of er voldoende wordt ondernomen om de uitzetting te bewerkstelligen.</para>
    <para />
    <para>4. Dat verzoeker voorafgaand aan de bewaring drie weken in ophouding is verbleven is geen na de beschikking van de rechter-commissaris van 26 maart 2021 opgekomen feit of omstandigheid. Voorts is sinds de toetsing van de rechter-commissaris van 26 maart 2021 nog maar korte tijd verstreken. Gesteld noch gebleken is dat sindsdien mede gezien de duur van de bewaring geen zicht meer op uitzetting van verzoeker bestaat of onvoldoende wordt ondernomen om de uitzetting te bewerkstelligen. Gelet hierop, is geen grond te vinden voor het oordeel dat de voortduring van de bewaring onrechtmatig is.</para>
    <para />
    <para>5. Het verzoek wordt afgewezen. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De voorzieningenrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- wijst het verzoek af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>