<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2020:4</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-16T16:27:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-01-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA201802662</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2020:4">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2020:4</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-16T16:26:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2020:4 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 08-01-2020 / AUA201802662</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2020:4:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>voorlopige oordeel van gerecht dat vaststellingsovereenkomst in beginsel vernietigbaar is, akte uitlating zijdens partijen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2020:4:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Vonnis van 8 januari 2020</para>
    <para>Behorend bij A.R. nr. AUA201802662</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>[eiser1], </title>
    <parablock>
      <para>tevens in zijn hoedanigheid van bewindvoerder voor <emphasis role="bold">[belanghebbende]</emphasis> (hierna te noemen: [belanghebbende]) teneinde voor haar het bewind te voeren over haar aandeel in de nalatenschap van wijlen [wijlen1] en die van wijlen [wijlen2],</para>
      <para>hierna te noemen: [eiser1],</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>[eiser2],</title>
    <para>hierna ook te noemen: [eiser2],</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>[eiser3],</title>
    <para>hierna ook te noemen: [eiser3],</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>allen wonende in Aruba,</para>
      <para>eisers,</para>
      <para>hierna gezamenlijk ook te noemen: [eisers],</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. R.L.F. Dijkhoff,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>[gedaagde1], </title>
    <parablock>
      <para>hierna ook te noemen: [gedaagde1],</para>
      <para>procederend in persoon,</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>[gedaagde2],</title>
    <parablock>
      <para>hierna ook te noemen: [gedaagde2],</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beiden wonende in Aruba,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>hierna gezamenlijk ook te noemen: [gedaagden].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>-het op 28 augustus 2018 ingediende verzoekschrift, met producties;</para>
        <para>-de conclusie van antwoord van [gedaagde2], met producties;</para>
        <para>-de conclusie van antwoord annex verklaring van [gedaagde1], ingediend ter griffie op 20 november 2018;</para>
        <para>-de conclusie van repliek;</para>
        <para>-de conclusie van dupliek van [gedaagde2], genomen op 25 september 2019;</para>
        <para>-de op 25 september 2019 tegen [gedaagde1] verleende akte van niet dienen van dupliek.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Vonnis is nader bepaald op heden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1 [</nr>
      <para>eisers] vorderen dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">primair</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>a. voor recht verklaart dat de tussen [gedaagde2], [gedaagde1] en [eiser1] in november 2016 gesloten vaststellingsovereenkomst nietig is;</para>
      <para />
      <para>b. voor recht verklaart dat de tussen [gedaagde2] en [gedaagde1] op 23 februari 2011 gesloten koopovereenkomst nietig is;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">subsidiair</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>c. voormelde vaststellingsovereenkomst vernietigt;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">primair en subsidiair</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>d. [gedaagden]. veroordeelt in de proceskosten.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.2.1 [</nr>
        <para>gedaagde1] heeft geen verweer gevoerd.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.2 [</nr>
        <para>gedaagde2] voert verweer, en concludeert dat [eisers] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in het door hen verzochte, althans tot ontzegging daarvan, kosten rechtens.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Voor zover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>DE BEOORDELING</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat [eisers] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in het door hen verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde2] wordt daarom verworpen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Niet in geschil is tussen partijen het volgende. [eiser1], [belanghebbende], [eiser2], [eiser3] en [gedaagde1] zijn de deelgerechtigden tot de nalatenschap van wijlen [wijlen1]  en die van wijlen [wijlen2] (hierna: de nalatenschappen), tot welke nalatenschappen in elk geval behoort het nog onverdeelde bij partijen genoegzaam bekende perceel eigendomsgrond gelegen in Aruba te [adres] (hierna: het perceel). [gedaagde2] en [gedaagde1] hebben op 23 februari 2011 een koopovereenkomst gesloten krachtens welke [gedaagde1] het perceel heeft verkocht aan [gedaagde2] voor een koopprijs van Afl. 145.000,-- (hierna: de koopovereenkomst). Op enig daarna gelegen moment heeft [gedaagde1] met een zekere [verkoper] nogmaals een koopovereenkomst gesloten krachtens welke [gedaagde1] het perceel heeft verkocht aan die [verkoper] voor een koopprijs van </para>
        <para>Afl. 100.000,- . In de maand november 2016 hebben [gedaagde2], [gedaagde1] en [eiser1] een vaststellingsovereenkomst gesloten met betrekking tot (ver)koop van het perceel aan [gedaagde2] met een overigens voor partijen genoegzaam bekende inhoud (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Bij beschikking van dit Gerecht van 16 mei 2017 is [eiser1] benoemd tot bewindvoerder voor [belanghebbende] teneinde voor haar het bewind te voeren over haar aandeel in de nalatenschappen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Zonder nadere doch ontbrekende uitleg valt niet in te zien waarom de koopovereenkomst nietig of vernietigbaar is. Beschikkingsonbevoegdheid aan de zijde van [gedaagde1] staat immers niet in de weg aan het sluiten de koopovereenkomst met [gedaagde2] zoals hij heeft gedaan. Sprake is van een rechtsgeldige koopovereenkomst die [gedaagde1] onmogelijk zonder medewerking van alle overige deelgerechtigden tot het perceel kan nakomen, hetgeen [gedaagde1] ten opzichte van [gedaagde2] wellicht schadeaansprakelijk maakt. Indien sprake is van bedrog zijdens [gedaagde1] onder invloed waarvan [gedaagde2] de koopovereenkomst heeft gesloten, komt alleen [gedaagde2] mogelijk een rechtsvordering op grond van artikel 3:44 BW toe. De vordering onder b. zal bij nog te wijzen eindvonnis worden afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Zonder nadere doch ontbrekende uitleg valt verder niet in te zien dat de vaststellingsovereenkomst nietig is (op de voet van artikel 3:40 BW), hetgeen aan toewijzing van het onder a. verzochte in de weg staat. Die vordering zal daarom bij nog te wijzen eindvonnis eveneens worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Wat betreft de vaststellingsovereenkomst wordt mede op de voet van het bepaalde in artikel 118 Rv het volgende verder overwogen. Gebleken is dat partijen bij de vaststellingovereenkomst allen van de verkeerde voorstelling van zaken zijn uitgegaan dat [gedaagde1] en [eiser1] de enige deelgerechtigden zijn tot het perceel, hetgeen met zich brengt dat de vaststellingsovereenkomst niet het daarmee beoogde rechtsgevolg bewerkstelligt dat de koopovereenkomst alsnog kan worden nagekomen door levering van het perceel aan [gedaagde2]. Voor die levering is immers nog steeds de medewerking vereist van onder meer [eiser2] en [eiser3] als deelgerechtigden tot het perceel, terwijl uit de proceshouding van die twee blijkt dat zij die medewerking niet zullen verlenen. Uit dit één en ander volgt naar het voorlopig oordeel van het Gerecht dat de vaststellingovereenkomst in elk geval wat betreft [eiser1] tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en dat [eiser1] - hetgeen hij impliciet stelt - bij een juiste voorstelling van zaken die overeenkomst niet zou zijn aangegaan. Dit maakt de vaststellingovereenkomst voor [eiser1] op de voet van artikel 6:228 lid 1 sub c naar het verdere voorlopig oordeel van het Gerecht in beginsel vernietigbaar. Partijen worden in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over deze voorlopige oordelen, te beginnen bij [eisers]. De zaak zal daartoe onder peremptoirstelling worden verwezen naar de in het dictum vermelde rolzitting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>DE UITSPRAAK</title>
    <para>Het Gerecht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-stelt [eisers] in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over hetgeen zij zich blijkens rechtsoverweging 3.5 dienen uit te laten, en verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van 5 februari 2020 (<emphasis role="bold">P-1</emphasis>);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-stelt [gedaagde1] en ook [gedaagde2] in de gelegenheid om (ieder voor zich) bij antwoordakte te reageren op de door [eisers] te nemen akte, en verwijst de zaak daartoe naar een door de rolrechter nader te bepalen rolzitting (eveneens <emphasis role="bold">P-1</emphasis>);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 8 januari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>