<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2020:233</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-03T11:02:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-05-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA201803260 AR</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2020:233">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2020:233</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-03T11:02:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2020:233 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 20-05-2020 / AUA201803260 AR</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2020:233:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Civiel. Tussenvonnis.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2020:233:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Vonnis van 20 mei 2020</para>
    <para>Behorend bij AUA201803260 AR</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[naam eiseres]</emphasis>
        <emphasis role="bold">, </emphasis>
      </para>
      <para>wonende in Aruba, </para>
      <para>EISERES,</para>
      <para>hierna ook te noemen: [eiseres],</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap </para>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">ARUBA BANK N.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd in Aruba, </para>
      <para>GEDAAGDE,</para>
      <para>hierna ook te noemen: de bank,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. L.A.M. van Leeuwe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure tot en met 20 november 2019 blijkt uit het tussenvonnis van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de aktes zijdens partijen, ingediend op 12 februari 2020;</para>
      <para>- de antwoordaktes zijdens partijen, ingediend op 10 en 11 maart 2020.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>De zaak is vervolgens verwezen naar de rolzitting van 8 april 2020 voor het nemen</para>
        <para>van een rolbeschikking. Vanwege de overheidsmaatregelen ter voorkoming van de</para>
        <para>verspreiding van het Covid19-virus is deze rolzitting niet doorgegaan. Het gerecht heeft</para>
        <para>de zaak ambtshalve verwezen naar de rolzitting van heden voor het wijzen van een</para>
        <para>tussenvonnis.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>DE BEOORDELING</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>In het tussenvonnis van 20 november 2019 heeft het gerecht geoordeeld dat [eiseres] in de akte uitlating producties heeft erkend dat de polis met nummer [polisnummer 1] is geroyeerd. Het gerecht is er van uitgegaan dat op grond van deze verzekering geen uitkering is gedaan wegens het overlijden van [naam overledene] en dat [eiseres] door het niet verpanden van deze polis dan ook geen schade heeft geleden. Het gerecht heeft aangegeven dat zij uit de stellingen van partijen begrijpt dat wegens het overlijden van [naam overledene] op de polis met nummer [polisnummer 2] een bedrag van EUR 120.000,00 diende te worden uitgekeerd en dat op grond van de polis met nummer [polisnummer 3] een bedrag van EUR 30.974,00 diende te worden uitgekeerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de vraag welke bedragen wegens het overlijden van [naam overledene] uit hoofde van de polissen met de nummers [polisnummer 2] en [polisnummer 3] dienden te worden uitgekeerd dan wel daadwerkelijk zijn uitgekeerd, nu partijen zelf niets expliciet hebben gesteld omtrent de bedragen die uit hoofde van de verzekeringen moesten worden uitgekeerd dan wel zijn uitgekeerd. Daartoe hebben partijen tegelijkertijd een akte genomen en vervolgens bij antwoordakte kunnen reageren op de akte van de wederpartij.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Bij antwoordakte van 11 maart 2020 onder punt 13 heeft de bank uitdrukkelijk bewijs aangeboden van de door [naam echtgenote van overledene] gedane betaling aan de bank ter aflossing van de hypotheekschuld. Volgens de bank zouden de uitkeringen uit de levensverzekeringen door [naam echtgenote van overledene] zijn aangewend voor het doel waartoe die gelden dienden, te weten de aflossing van de hypotheekschuld (contra-akte van de bank, nr. 12) Verder heeft de bank het gerecht verzocht om haar toe te laten bij nadere akte dit bewijs te  overleggen en om [naam echtgenote van overledene] (het gerecht begrijpt: [eiseres]) toe te laten daarop te laten reageren. Het gerecht is vooralsnog van oordeel dat [eiseres] geen schade heeft geleden door het niet verpanden van de verzekeringen, voor zover [naam echtgenote van overledene] de uitkeringen uit de levensverzekering heeft aangewend ter aflossing van de hypotheekschuld. Vandaar dat de bank in de gelegenheid dient te worden gesteld om bewijs te overleggen van haar stelling dat (en tot welk bedrag) [naam echtgenote van overledene] de uitkeringen uit de levensverzekeringen heeft aangewend ter aflossing van de hypotheekschuld. Het gerecht gaat er vooralsnog vanuit dat de bank dit bewijs schriftelijk kan leveren en zal haar daarom in de gelegenheid stellen om een akte te nemen. Vervolgens zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld om bij antwoordakte daarop te reageren. Indien de bank ook bewijs door middel van getuigen wil leveren, moet zij dat in de door haar te nemen akte laten weten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Alle overige beslissingen worden aangehouden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>DE UITSPRAAK</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>laat de bank toe tot het bewijs van haar stelling dat (en voor welk bedrag) [naam echtgenote van overledene] de uitkeringen uit de levensverzekeringen heeft aangewend ter aflossing van de hypotheekschuld;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>verwijst de zaak naar de rolzitting van 24 juni 2020 voor het nemen van een akte aan de zijde van de bank met de doeleinden zoals omschreven in rechtsoverweging nummer 2.3;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>houdt alle overige beslissingen aan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 20 mei 2020 in aanwezigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para />
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>