<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2019:236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-30T14:13:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA201900866</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2019:236">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2019:236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-30T14:12:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2019:236 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 17-04-2019 / AUA201900866</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2019:236:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>kortgeding, niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2019:236:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Vonnis van 17 april 2019</para>
    <para>KG no. AUA201900866 </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis in kort geding tussen:</para>
    </parablock>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="0b71593f-cfb3-40c9-a74a-e799ddc621ee" depth="1116" width="48" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap <emphasis role="bold">EZEE BROTHERS N.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd in Aruba,</para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de publiekrechtelijke rechtspersoon het<emphasis role="bold"> LAND ARUBA</emphasis>, </para>
      <para>zetelende te Aruba,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.P. Janzen (DWJZ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- het verzoekschrift van eiseres met producties, ingediend op 19 maart 2019;</para>
      <para>- de pleitnota zijdens gedaagde.</para>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 maart 2019, waarbij de gemachtigden van partijen zijn verschenen. Zijdens het Land zijn tevens twee medewerkers van de Douane verschenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Uitspraak is bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>DE VASTSTAANDE FEITEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Eiseres heeft op 7 of 8 maart 2019 via haar agent digitaal aangifte gedaan ter zake de invoer van een aantal inverter airconditioners in het zogeheten ”ASYCUDA” systeem, waarbij een belastingtarief voor de invoerrechten van 2% werd ingevoerd. De douane heeft op 8 maart 2019 na controle in dit systeem het belastingtarief verandert in 22%.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De agent van eiseres heeft vervolgens contact gehad met de douane. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>De inverter airconditioners zijn in depot geplaatst.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>DE VORDERING</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Eiseres verzoekt het gerecht om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad het Land te bevelen om eiseres binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis toe te staan de betrokken airconditioners tegen het tarief van 2% te kunnen invoeren, zulks op straffe van een dwangsom, met veroordeling van het Land in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Het Land heeft verweer gevoerd en geconcludeerd dat het gerecht eiseres niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering, dan wel de vordering zal afwijzen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>DE BEOORDELING</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Het gerecht stelt voorop dat voor de burgerlijke rechter, ook recht doende in kort geding, in beginsel geen taak is weggelegd in geschillen, waarvoor de wet een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengesteld. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>In casu heeft eiseres een geschil aan de burgerlijke rechter voorgelegd dat verband houdt met de heffing van invoerrechten. Eiseres heeft gesteld dat er geen schriftelijke beslissing van de douane is, zodat er geen besluit bestaat waartegen zij na bezwaar bij de belastingrechter kan opkomen. Om die reden heeft zij zich tot de burgerlijke kort geding rechter gewend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Ingevolge artikel 128b lid van de Landsverordening in-, uit-, en doorvoer (AB 2000 no. GT 10) kan de aangever die bezwaar heeft tegen de berekening van invoerrechten of de toepassing van het tarief op door hem ten invoer aangegeven goederen, binnen één maand na de dagtekening van de aangifte door de Inspecteur der Invoerrechten en Accijnzen, een bezwaarschrift indienen bij de Inspecteur, die daarop beslist. Vervolgens staat beroep open bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken. Blijkens de door het Land ingediende uitdraai uit het ASYCUDA systeem is de gecorrigeerde aangifte gedateerd op 8 maart 2019. Eiseres had daartegen bij de Inspecteur een bezwaarschrift kunnen indienen. Naar het voorshands oordeel van het gerecht staat daaraan niet in de weg dat de dagtekening digitaal is geschied. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Voornoemde bestuursrechtelijke rechtsingang is met voldoende waarborgen omkleed, zodat daarnaast geen plaats is voor (aanvullende) rechtsbescherming door de burgerlijke rechter. In dit verband geldt dat eiseres niet heeft gesteld dat zij een dusdanig spoedeisend belang heeft bij haar vordering, dat van haar niet kon worden gevergd om voornoemde bestuursrechtelijke rechtsingang te volgen. Het gerecht gaat er dan ook vanuit dat er voor eiseres een adequate bestuursrechtelijke rechtsingang heeft opengestaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Bovendien geldt dat ingevolge artikel 123 lid 5 van genoemde landsverordening belanghebbenden binnen een jaar na betaling van de invoerrechten gerechtigd zijn tot terugvordering van hetgeen te veel betaald mocht zijn. Eiseres kan geacht worden het hogere tarief te betalen en vervolgens tot terugvordering overgaan, zo daarvoor toereikende gronden aanwezig zijn. Dit staat in de weg aan het gestelde spoedeisend belang.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Dit alles leidt tot de slotsom dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar vordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, gemaakt door het Land, tot op heden begroot op nihil, omdat de gemachtigde van het Land in dienst is van het Land.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>DE UITSPRAAK</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter in dit gerecht, recht doende in kort geding:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar vordering;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure, gemaakt door het Land, tot op heden begroot op nihil.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 17 april 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>