<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2019:176</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-10T12:14:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-03-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA201900448</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2019:176">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2019:176</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-10T12:13:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2019:176 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 13-03-2019 / AUA201900448</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2019:176:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>KG, Arbeid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2019:176:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Vonnis van 13 maart 2019</para>
    <para>Behorend bij K.G. nr. AUA201900448</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS IN KORT GEDING</para>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[Eiser]</emphasis>, </para>
      <para>wonende in Aruba, </para>
      <para>hierna ook te noemen: eiser,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. H.F. Falconi,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">INTERPORT LOGISTICS V.B.A. h.o.d.n. INTERPORT LOGISTICS</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd in Aruba,</para>
      <para>hierna ook te noemen: gedaagde,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het verzoekschrift met producties, ingediend op 13 februari 2019;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de behandeling ter zitting van 7 maart 2019, waaruit blijkt dat eiser in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde en gedaagde niet is verschenen;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>tegen de niet verschenen gedaagde is verstek verleend.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Vervolgens is de datum voor de uitspraak nader bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>DE VASTSTAANDE FEITEN</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Eiser is in 2006 bij gedaagde in dienst getreden, laatstelijk in de functie van <emphasis role="italic">Driver Helper</emphasis> tegen een salaris van Afl. 2.300,- netto per maand.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op 22 november 2018 werd eiser geschorst met behoud van loon omdat eiser volgens gedaagde, samen met een collega, tweeëntwintig dozen zou hebben ontvangen van een klant en eenentwintig dozen bij gedaagde heeft afgegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Bij brief van 31 januari 2019 wordt eiser door gedaagde bericht dat uit videobeelden blijkt dat meer dozen zijn ingeladen dan bij gedaagde door eiser zijn afgeleverd, gedaagde een bedrag van Afl. 7.679,30 heeft moeten betalen aan de klant en dat de arbeidsovereenkomst met eiser onmiddellijk wordt beëindigd nu gedaagde geen vertrouwen meer heeft in eiser.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Bij brief van 4 februari 2019 heeft eiser de nietigheid van het ontslag ingeroepen, zich beschikbaar gehouden de bedongen arbeid te blijven verrichten en aanspraak gemaakt op doorbetaling van zijn salaris.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Eiser vordert om bij vonnis in kort geding – uitvoerbaar bij voorraad – gedaagde:</para>
      <para>- te veroordelen tot doorbetaling van zijn loon plus emolumenten vanaf 31 januari 2019 totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op regelmatige wijze zal zijn beëindigd, vermeerderd met de vertragings- en wettelijke rente,</para>
      <para>- te bevelen eiser tot het werk toe te laten op straffe van een dwangsom,</para>
      <para>- te veroordelen in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Eiser grondt de vordering erop dat er geen sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet, terwijl gedaagde geen ontslagvergunning heeft van de directeur van Directie Arbeid en Onderzoek van Aruba, de arbeidsovereenkomst zonder wederzijds goedvinden is beëindigd en de opzeggingsbepalingen voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst door gedaagde niet in acht zijn genomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Gedaagde is, ondanks deugdelijk te zijn opgeroepen, niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>DE BEOORDELING</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De spoedeisendheid van de gevraagde voorziening volgt uit aard van de vordering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De vorderingen van eiser om gedaagde te veroordelen tot doorbetaling loon, wedertewerkstelling en proceskostenvergoeding komt het gerecht, behoudens het hiernavolgende, ingevolge artikel 79 lid 1 Rv. niet onrechtmatig of ongegrond voor en worden daarom toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Het Gerecht ziet aanleiding de wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 1614q BW op 10% te stellen en de wettelijke rente toe te wijzen vanaf datum indiening verzoekschrift. Tevens zal het gerecht de gevorderde dwangsom maximeren zoals in het dictum staat opgenomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Als de in het ongelijk te stellen partij zal gedaagde de proceskosten van eiser moeten vergoeden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>DE BESLISSING</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van het loon vanaf 31 januari 2019 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde zal zijn gekomen, verhoogd met de wettelijke verhoging van artikel 7A:1614q BW tot een maximum van 10% over de verschenen loontermijnen en vermeerderd met de wettelijke rente over het achterstallig loon vanaf 13 februari 2019,</para>
    <para />
    <para>- gebiedt gedaagde om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis, eiser toe te laten op het werk om de bedongen werkzaamheden van <emphasis role="italic">Driver Helper</emphasis> uit te voeren, op straffe van een dwangsom van Afl. 500,- voor iedere dag dat gedaagde aan dit gebod niet voldoet een en ander met een maximum van Afl. 100.000,-;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van eiser worden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, </para>
    <para>Afl. 218,64 aan explootkosten en Afl. 1.500,- aan salaris van de gemachtigde;</para>
    <para />
    <para>- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; </para>
    <para />
    <para>- wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 13 maart 2019 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>