<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2019:138</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-13T16:52:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-02-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA201801366</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2019:138">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2019:138</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-13T16:52:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2019:138 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 27-02-2019 / AUA201801366</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2019:138:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Civiel, geldleningsovereenkomst, schuldbekentenis, borg.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2019:138:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Vonnis van 27 februari 2019</para>
    <para>Behorend bij A.R. AUA201801366</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[naam eiser]</emphasis>,</para>
      <para>te Aruba, </para>
      <para>EISER, hierna ook te noemen: [eiser],</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. C.J. Hart,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>[naam gedaagde sub 1], </title>
    <parablock>
      <para>te Aruba, </para>
      <para>GEDAAGDE SUB 1, hierna ook te noemen: [gedaagde sub 1],</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. B.M. de Sousa,</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>[naam gedaagde sub 2],</title>
    <parablock>
      <para>te Aruba,</para>
      <para>GEDAAGDE SUB 2, hierna ook te noemen: [gedaagde sub 2],</para>
      <para>procederend in persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE </title>
    <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    <para />
    <para>- het tussenvonnis d.d. 14 november 2018;</para>
    <para>- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 16 januari 2019.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>DE VASTSTAANDE FEITEN</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1 [</nr>
      <para>eiser] heeft meerdere malen geld verstrekt aan [gedaagde sub 1], voor een totaalbedrag van Afl. 80.000,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>In een schuldbekentenis van 9 september 2016 heeft [gedaagde sub 2] borg gesteld voor de terugbetaling van de voornoemde schuld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op 28 juni 2017 heeft [gedaagde sub 2] aan [eiser] een bedrag van Afl. 25.000,- betaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Bij brief van 3 mei 2018 zijn gedaagden door [eiser] in gebreke gesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Gedaagden hebben zich niet gehouden aan de uit de geldleningsovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichting.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN </title>
    <paragroup>
      <nr>3.1 [</nr>
      <para>eiser] vordert – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van gedaagden hoofdelijk tot betaling van Afl. 58.409,63, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van gedaagden hoofdelijk tot vergoeding van de proceskosten.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2 [</nr>
      <para>eiser] grondt de vordering erop dat [gedaagde sub 1] tekort is geschoten in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen. [gedaagde sub 2] wordt als borg aangesproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3 [</nr>
      <para>gedaagde sub 2] voert hiertegen verweer, dat zo nodig bij de beoordeling aan de orde komt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4 [</nr>
      <para>gedaagde sub 2] vordert in voorwaardelijke reconventie, in het geval komt vast te staan dat [gedaagde sub 2] de verplichtingen als borg uit de overeenkomst van geldlening volledig is nagekomen, (gedeeltelijke) nietigheid van de overeenkomst tot geldlening tussen haar en [gedaagde sub 1], met veroordeling van [gedaagde sub 1] tot vergoeding van de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5 [</nr>
      <para>gedaagde sub 2] grondt de vordering erop dat [eiser] niet over een vergunning beschikt om beroepsmatig geld uit te lenen aan derden en dat er een te hoge rentepercentage door [eiser] is gevorderd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6 [</nr>
      <para>eiser] voert tegen de vordering in reconventie verweer, dat zo nodig bij de beoordeling aan de orde komt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>DE BEOORDELING </title>
    <bridgehead role="bold">IN CONVENTIE EN IN (VOORWAARDELIJKE) RECONVENTIE</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1 [</nr>
      <para>gedaagde sub 1] heeft de vordering niet weersproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2 [</nr>
      <para>gedaagde sub 2] heeft de stellingen van [eiser] betwist. Allereerst heeft [gedaagde sub 2] aangevoerd dat [eiser] beroepsmatig geld uitleent aan derden en dat hij hiervoor geen vergunning heeft, zoals bedoeld in artikel 5 van de Landsverordening Toezicht Kredietwezen. Gelet hierop is de overeenkomst in strijd is met art. 3:40 BW, aldus [gedaagde sub 2]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Het Gerecht overweegt als volgt. [eiser] heeft ten tijde van de comparitie gemotiveerd gesteld dat hij verschillende keren geld aan [gedaagde sub 1] heeft geleend, omdat hij in [gedaagde sub 1] vertrouwde, nu zij zijn pastoor was. Telkens heeft [gedaagde sub 1] tegen hem gezegd dat zij hem aan het einde van de maand terug zal betalen. In het licht hiervan is het Gerecht van oordeel dat [gedaagde sub 2] haar stelling, dat [eiser] bedrijfsmatig geld aan derden uitleent, onvoldoende heeft onderbouwd. [gedaagde sub 1] heeft bovendien de stelling van [eiser] niet betwist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4 [</nr>
      <para>gedaagde sub 2] heeft voorts aangevoerd -naar het gerecht begrijpt- dat de schuldbekentenis voor een bedrag van Afl. 80.000,- tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden omdat zij op het moment van ondertekenen ziek was. Het Gerecht overweegt hieromtrent als volgt. Eerst ter terechtzitting heeft [gedaagde sub 2] deze stelling, die door [eiser] wordt betwist, naar voren gebracht en vastgesteld wordt dat deze stelling op geen enkele wijze is onderbouwd. Gelet hierop gaat het Gerecht hieraan voorbij. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>De slotsom is dat de vordering van [eiser] voor toewijzing in aanmerking komt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>De verschuldigdheid van de wettelijke rente is door gedaagden niet betwist en wordt toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten zal als onweersproken worden toegewezen, met dien verstande dat de buitengerechtelijke incassokosten op voet van het bepaalde in artikel 63b lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden toegewezen conform het nieuwe procesreglement (naar rato van 1,5 punt van het liquidatietarief).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">in voorwaardelijke reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>De eis in reconventie is voorwaardelijk ingesteld. Uit de beslissing in conventie vloeit voort dat de voorwaarde, zijnde data komt vast te staan dat [gedaagde sub 2] de verplichtingen als borg uit de overeenkomst van geldlening volledig is nagekomen, niet is vervuld, zodat op de vordering in reconventie geen beslissing hoeft te worden gegeven.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>DE UITSPRAAK</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt gedaagden, hoofdelijk, om aan [eiser], tegen behoorlijk bewijs van kwijting,  te betalen de hoofdsom van Afl. 58.409,63, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2018 tot de dag der voldoening, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad Afl. 2.250,--; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt gedaagden in de kosten van de procedure, hoofdelijk voor zover hierna aangegeven, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [eiser] worden begroot op Afl. 750, aan griffierecht (hoofdelijk), Afl.  216,60 aan explootkosten voor [gedaagde sub 2] en Afl. 201,10 voor [gedaagde sub 1] en Afl. 3.000, aan salaris van de gemachtigde (hoofdelijk);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in voorwaardelijke reconventie</emphasis>
      </para>
      <para>verstaat dat de vordering geen behandeling behoeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S. Verheijen rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>