<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2018:807</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-03T12:14:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-12-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA201703445</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2018:807">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2018:807</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-03T12:13:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2018:807 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 11-12-2018 / AUA201703445</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2018:807:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>civiel-arbeid</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2018:807:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Beschikking van 11 december 2018</para>
    <para>Behorend bij E.J. AUA201703445</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING</para>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[naam verzoeker],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende in Aruba, </para>
      <para>VERZOEKER, hierna te noemen: [verzoeker],</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. P.G. Dowers-Alders</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">SAFETY AND RESPONSE SECURITY SERVICES (SRSS) N.V.</emphasis>, </para>
      <para>te Aruba, </para>
      <para>VERWEERSTER, hierna te noemen: SRSS,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- de beschikking van 26 juni 2018;</para>
    <para>- het proces verbaal van getuigenverhoor van 19 september 2018;</para>
    <para>- de conclusie na enquête aan de zijde van SRSS;</para>
    <para>- de antwoordconclusie na enquête aan de zijde van [verzoeker].</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan partijen is meegedeeld dat vandaag een beschikking zou worden gegeven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>DE VERDERE BEOORDELING VAN HET GESCHIL</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Bij beschikking van 26 juni 2018 is SRSS toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat met [verzoeker] is overeengekomen dat zij hem slechts gedeeltelijk zou inzetten en slechts zou betalen voor de uren waarop hij werkte.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>SRSS heeft ter voldoening aan deze bewijsopdracht onder meer de getuige [getuige 1] laten horen, die het sollicitatiegesprek met [verzoeker] heeft gevoerd, mede aan de hand van het sollicitatieformulier. Op dat formulier is aangetekend “no trabago otro ora”. Volgens de getuige is die tekst van [verzoeker] zelf afkomstig. Voor haar was wel duidelijk dat [verzoeker] alleen in de dagdienst wilde werken. Zij heeft tevens verklaard dat zij hem heeft voorgehouden dat hij daarmee geen volledig inkomen zou kunnen halen en dat [verzoeker] dat begreep en daarmee akkoord ging. In de verklaring is ook opgenomen dat het personeel volgens een rooster wordt ingedeeld en dat personeel dat slechts beperkt inzetbaar is (lees: geen nachtdiensten wil draaien) niet aan een volledige werkweek komt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Dit laatste onderdeel van de verklaring van [getuige 1] wordt bevestigd door de getuige [getuige 2], een (voormalige) collega van [verzoeker]. Ook hij draaide geen nachtdienst en verdiende daardoor minder. Hij heeft tevens verklaard dat voor [verzoeker] hetzelfde gold.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Het Gerecht overweegt dat in het midden kan blijven wie de Spaanstalige zin op het sollicitatieformulier heeft geplaatst, nu tussen partijen niet in geschil is dat [verzoeker] geen nachtdiensten wilde draaien en hij dit ook niet heeft gedaan. Uit de getuigenverklaringen is voorts af te leiden dat het personeel van SRSS volgens een rooster werkte dat er in beginsel in voorzag dat iedereen over alle diensten, inclusief de nachtdiensten, werd verdeeld. Uit de verklaring van [getuige 2] en uit de stellingen van [verzoeker] blijkt dat personeel dat geen nachtdiensten wilde draaien, op de dagen dat zij die normaal gesproken wel zouden moeten doen, niet werden ingeroosterd. Dit had tot gevolg dat zij minder werkten en dus ook minder loon kregen. Uit de niet door andere bewijsmiddelen weerlegde verklaring van [getuige 1] blijkt dat dit ook aan [verzoeker] is voorgehouden bij zijn indiensttreding en dat hij daarmee akkoord ging. De feitelijke uitvoering van de arbeidsovereenkomst sloot daarop aan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>In de arbeidswetgeving van Aruba is niet opgenomen dat een arbeidsovereenkomst slechts kan worden aangegaan voor een volledige werkweek. De Arbeidslandsverordening stelt immers slechts grenzen aan de maximaal per week te verrichten arbeidsuren (art. 8) en in art. 7A:1613aa BW is opgenomen dat ten aanzien van de arbeidsovereenkomst die ten minste drie maanden heeft geduurd, de omvang van de bedongen arbeid in enige maand gelijkgesteld wordt met de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Ook hieruit kan worden afgeleid dat een arbeidsovereenkomst minder uren dan een volledige werkweek kan bedragen. Partijen hebben een en ander niet schriftelijk vastgelegd, maar wel middels een rooster uitvoering gegeven aan de mondeling tot stand gekomen arbeidsovereenkomst. Rekening houdend met het zojuist genoemde art. 7A:1613aa BW is daarmee de omvang van de arbeidsovereenkomst tussen partijen vastgesteld (de wet spreekt immers niet van een vermoeden).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verzoeker] geen recht heeft op achterstallig loon, voor zover die vordering gebaseerd is op de stelling dat hij niet beloond werd op basis van een volledige arbeidsovereenkomst. Hij heeft niet gesteld dat hij minder kreeg betaald voor de uren waarop hij wel werkte. Ook heeft hij niet gesteld dat hij minder werkte dan waarop hij, rekening houdend met art. 7A:1613aa BW, aanspraak kon maken. De brief van de SVB d.d. 15 juni 2017 levert evenmin een bewijs op van het tegendeel, nu daarin de omvang van de arbeidsovereenkomst niet is weergegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Bij verweerschrift is voorts weersproken dat [verzoeker] steeds op zondagen moest werken en dat onterecht inhoudingen hebben plaatsgevonden. [verzoeker] is op die stellingen in zijn latere processtukken niet meer ingegaan, zodat het Gerecht ook dit deel van de vordering zal afwijzen (voorzover [verzoeker] heeft bedoeld die hierop mede te baseren, want dit blijkt niet uit het verzoek).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>De conclusie moet derhalve zijn dat de vorderingen van [verzoeker] zullen worden afgewezen en dat hij in de proceskosten zal worden veroordeeld. Aan hem zal wel gratis admissie worden verleend, nu hij een bewijs van onvermogen heeft overgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>DE UITSPRAAK</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerecht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst het verzoek af;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van SRSS worden begroot op Afl. 1.750,- aan salaris van de gemachtigde (3,5 punten, tarief 3);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verleent [verzoeker] gratis admissie.</para>
      <para>verklaart de kostenveroordeling in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. J. Sap, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 11 december 2018 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>