<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2018:74</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-20T10:44:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-01-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA201700906</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2018:74">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2018:74</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-20T10:44:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2018:74 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 29-01-2018 / AUA201700906</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2018:74:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Appellante heeft te kennen gegeven dat haar verzoek is gehonoreerd. Onder deze omstandigheden is het belang aan het beroep komen te ontvallen. Met de honorering van het verzoek dient de in beroep bestreden fictieve afwijzende beschikking door verweerder ten voordele van appellante ingetrokken dan wel gewijzigd te worden geacht. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding te gelasten dat het betaalde griffierecht wordt teruggegeven. Nu het beroep niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leidt, bestaat voor een veroordeling in de kosten geen wettelijke grondslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2018:74:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Uitspraak van 29 januari 2018</para>
    <para>AUA201700906</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK</para>
      <para>op het beroep in de zin van de </para>
      <para>Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[appellante</emphasis>
        <emphasis role="bold">,</emphasis>
      </para>
      <para>verblijvend in Aruba,</para>
      <para>APPELLANTE</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gericht tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">de Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie</emphasis>,</para>
      <para>zetelend in Aruba,</para>
      <para>VERWEERDER,</para>
      <para>gemachtigde: mr. N.R. Sneek (DIMAS). </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>PROCESVERLOOP</title>
    <para>Bij beschikking van 13 januari 2017 heeft verweerder het verzoek van appellante van 1 september 2016 om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf om onder garantie van haar echtgenoot, zonder toestemming om te werken, in Aruba te verblijven, afgewezen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daartegen heeft appellante op 30 januari 2017 bezwaar gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen het uitblijven van een beslissing op het aldus gemaakte bezwaar heeft appellante op 22 mei 2017 beroep ingesteld bij dit gerecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 7 augustus 2017 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 5 december 2017 heeft appellante, per fax, een nader stuk ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierna is uitspraak bepaald op heden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Appellante heeft op 1 september 2016 verweerder verzocht om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf om onder garantie van haar echtgenoot, zonder toestemming om te werken, in Aruba te kunnen verblijven. Dit verzoek is, zoals hiervoor vermeld, bij beschikking van 13 januari 2017 afgewezen. </para>
        <para>	Bij brief van 5 december 2017 heeft appellante te kennen gegeven dat haar verzoek is gehonoreerd. Onder deze omstandigheden is het belang aan het beroep komen te ontvallen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Het beroep is niet-ontvankelijk.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Met de honorering van het verzoek van appellante van 1 september 2016 dient de in beroep bestreden fictieve afwijzende beschikking door verweerder ten voordele van appellante ingetrokken dan wel gewijzigd te worden geacht. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding te gelasten dat het betaalde griffierecht wordt teruggegeven (artikel 30, tweede lid, van de Lar). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Nu het beroep niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leidt, bestaat voor een veroordeling in de kosten geen wettelijke grondslag (vergelijk de uitspraken van het GHvJ van 25 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0582 en van 23 mei 2014, HLAR 64027/13).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>BESLISSING</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- gelast teruggave aan appellante van het door haar betaalde bedrag van Afl. 25,- . </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 29 januari 2018 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>