<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2018:621</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-18T11:42:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-10-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AUA201800520</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2018:621">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2018:621</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-18T11:41:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2018:621 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 08-10-2018 / AUA201800520</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2018:621:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het gerecht is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder de juistheid van de klachten, ten grondslag liggende aan de bestreden beschikking, nader heeft onderzocht. Dat het belang van de openbare orde, de goede zeden of de publieke rust weigering van de door appellante aangevraagde vergunning vergt, is door verweerder vooralsnog onvoldoende beargumenteerd. De bestreden beschikking is naar het oordeel van het gerecht onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ontbeert een deugdelijke motivering.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2018:621:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Uitspraak van 8 oktober 2018</para>
    <para>AUA201800520</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>UITSPRAAK</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het beroep in de zin van de </para>
      <para>Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">[appellante], </bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonend in Aruba,</para>
      <para>APPELLANTE,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>gericht tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">De Minister van Volksgezondheid, Ouderenzorg en Sport,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>zetelend in Aruba,</para>
      <para>VERWEERDER,</para>
      <para>gemachtigde: dhr. A. Lumenier (DWJZ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESVERLOOP</title>
    <para>Bij beschikking van 5 januari 2018 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag om een koffiehuis- en restaurantvergunning B ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen die beschikking heeft appellante op 27 februari 2018 beroep ingesteld bij dit gerecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 23 april 2018 een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 22 augustus 2018 heeft verweerder nadere stukken ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is behandeld ter zitting van 27 augustus 2018, alwaar zijn verschenen appellante samen met haar echtgenoot, dhr. [X], en bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bepaald op heden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <bridgehead role="italic">Ontvankelijkheid </bridgehead>
    <para>1. Ingevolgde artikel 27, eerste lid, van de Lar dient een beroepschrift binnen zes weken na dagtekening van de beschikking op bezwaar te zijn ingediend. </para>
    <para>	Ingevolge artikel 28, derde lid, van de Lar blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.</para>
    <para />
    <para>2. De beschikking op bezwaar is gedagtekend op 5 januari 2018. Uit het voorgaande volgt dat appellante op uiterlijk 16 februari 2018 beroep daartegen kon instellen. Het beroepschrift is op 27 februari 2018, derhalve te laat ingediend. Het gerecht is echter van oordeel dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is, zodat met toepassing van artikel 28, derde lid, van de Lar niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven. Immers appellante heeft onbestreden aangevoerd dat zij pas op 23 februari 2018 kennis heeft kunnen nemen van de beschikking op bezwaar van 5 januari 2018. Het tegendeel blijkt ook niet uit de stukken. Appellante heeft direct daarna (op 27 februari 2018) beroep daartegen ingesteld. Het beroep van appellante is derhalve ontvankelijk. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wettelijke regeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Ingevolge artikel 22 van de Vergunningsverordening wordt in opdracht van de minister belast met volksgezondheid, een onderzoek ingesteld, waarbij de naaste buren van de lokaliteiten voor welke de vergunning zal gelden, worden gehoord. Het aantal te horen personen bedraagt nooit minder dan zes van de dichtstbijzijnde buren zowel ten westen, ten oosten, ten noorden als ten zuiden van de plaats, waar de vergunningsinrichting zal zijn gelegen, met dien verstande, dat deze erven zoveel mogelijk op verschillende afstanden van bedoelde plaats moeten zijn gelegen, welke afstand echter niet meer zal bedragen dan 200 meter voor de ten westen gelegen erven en 100 meter voor de overige erven.</para>
    <para />
    <para>4. Ingevolge artikel 27 van de Vergunningsverordening kunnen aan een ingevolge deze landsverordening verleende vergunning bij landsbesluit bijzondere voorwaarden worden gesteld.</para>
    <para />
    <para>5. In artikel 28 van de Vergunningsverordening is onder meer bepaald dat de vergunning wordt geweigerd als het belang van de openbare orde, de goede zeden of de publieke rust zulks vergt.</para>
    <para />
    <para>6. In artikel 32 van de Vergunningsverordening is onder meer bepaald dat de vergunning wordt ingetrokken als het belang van de openbare orde, de goede zeden of de publieke rust zulks vergt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inhoud</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Appellante kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking van 5 januari 2018 en voert hiertoe – kort samengevat – aan dat de wijze van toetsing van de bezwaren tegen het verlenen van de verzochte vergunning niet juist is verlopen. Bij een niet vooringenomen en neutraal onderzoek zal de uitkomst zijn dat er geen legitieme bezwaren zijn tegen de toekenning van de verzochte vergunning, aldus appellante.  </para>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft aangevoerd dat veertien buurtbewoners bezwaren hebben tegen het verlenen van de door appellante verzochte koffiehuis- en restaurantvergunning. Deze veertien buurtbewoners vormen onderdeel van een groep van vierentwintig buurtbewoners die reeds bij schrijven van 10 oktober 2013 hun bezwaren hebben geuit tegen het verlenen van de verzochte vergunning. Het bestuursorgaan heeft dan ook een juiste belangenafweging gemaakt, waarbij rekening is gehouden met de belangen van de omwonenden en het economisch belang van appellante, en is op goede gronden tot de bestreden beschikking gekomen, aldus verweerder. </para>
    <para />
    <para>9. Uit het door verweerder overgelegde advies van de korpschef van het Korps Politie Aruba (KPA) kan worden opgemaakt dat de door appellante geëxploiteerde lokaliteit aan de, in de Vergunningsverordening en het Vergunningsbesluit gestelde, vereisten voldoet. Het KPA heeft geen bezwaren tegen het inwilligen van appellantes verzoek om een koffiehuis- en restaurantvergunning B. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken dat de commandant van de Brandweer en het managementteam van de Directie Volksgezondheid geen bezwaren hebben tegen het verlenen van de door appellante verzochte vergunning. </para>
    <para />
    <para>10. Het gerecht is, gelet op de overgelegde stukken en het besprokene ter zitting, van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder de juistheid van de klachten, ten grondslag liggende aan de bestreden beschikking, nader heeft onderzocht. Verweerder heeft onvoldoende gespecificeerd waarom de bezwaren en de klachten van de buren aan verlening van de verzochte vergunning in de weg staan. Dat het belang van de openbare orde, de goede zeden of de publieke rust weigering van de door appellante aangevraagde vergunning vergt, is door verweerder vooralsnog onvoldoende beargumenteerd. Het gerecht neemt daarbij tevens in aanmerking dat conform artikel 27 van de Vergunningsverordening door verweerder voorwaarden kunnen worden gesteld aan de te verlenen vergunning en dat conform artikel 32 verweerder een verleende vergunning kan intrekken indien het belang van de openbare orde, de goede zeden of de publieke rust zulks vergt. Niet is gebleken dat verweerder, bij de beoordeling van het verzoek van appellante, met die mogelijkheden rekening heeft gehouden. De bestreden beschikking is naar het oordeel van het gerecht onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ontbeert een deugdelijke motivering.</para>
    <para />
    <para>11. Nu de beschikking ontoereikend is gemotiveerd, dient het beroep gegrond te worden verklaard en zal de bestreden beschikking worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante.</para>
    <para />
    <para>12. Het Gerecht ziet aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>DE BESLISSING</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de bestreden beschikking van 5 januari 2018;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak, met inachtneming van het onder r.o. 10 overwogene, een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellante van 20 oktober 2015;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure gemaakt aan de zijde van appellante, welke worden begroot op een bedrag van Afl. 1.000 aan gemachtigdensalaris;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>gelast dat het door appellante gestorte griffierecht ad Afl. 25 aan haar wordt  terugbetaald.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 8 oktober 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken). </para>
      <para>Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen: </para>
    </parablock>
    <para>1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak; </para>
    <para>2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende: </para>
    <para>a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,</para>
    <para>b. de dag van ondertekening,</para>
    <para>c. waartegen u in hoger beroep komt, </para>
    <para>d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>