<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2018:561</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-16T11:24:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-09-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">2017/AUA201703588 en E.J. AUA201800418</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2018:561">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2018:561</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-09-27T14:49:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2018:561 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 18-09-2018 / 2017/AUA201703588 en E.J. AUA201800418</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2018:561:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Burgerlijk procesrecht. Nadere schriftelijke reactie van partijen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2018:561:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Beschikking van 18 september 2018</para>
    <para>Behorend bij E.J. 2387 van 2017/AUA201703588 en E.J. AUA201800418 en E.J. AUA201800419 en E.J. AUA201800423</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESCHIKKING VAN DE RECHTER-COMMISSARIS</para>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de rechtspersoon naar vreemd recht</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">ASEAN INTERNATIONAL LIMITED</emphasis>,</para>
      <para>te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, </para>
      <para>hierna ook te noemen: Asean,</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. D.W. Ormel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE</title>
    <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-de beschikking van 30 januari 2018;</para>
      <para>-de aanmelding van haar vordering door Asean bij brief van 9 februari 2018;</para>
      <para>-de aanmelding van hun vorderingen door [bemanningsleden1] c.s. bij brief van 16 februari 2018;</para>
      <para>-de aanmelding van haar vordering door [naam Ltd] bij brief van 16 februari 2018;</para>
      <para>-de aanmelding van hun vordering door [naam bank] c.s. bij brief van 16 februari 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van mr. Noordhuizen is verhindering opgekomen om deze zaak verder te behandelen. Om die reden benoemt het Gerecht mr. A.H.M. van de Leur tot rechter-commissaris, aan wie mr. Noordhuizen deze zaak heeft overgedragen. Deze beschikking wordt door mr. Van de Leur ondertekend als rechter van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba en als rechter-commissaris. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>DE BEOORDELING</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para> De aangemelde vorderingen en de (primair) gestelde grondslagen daarvoor zijn als volgt.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="bold">I.</emphasis> Asean			bunker ex artikel 8:211 sub a BW		   US$	     1.380.128,30 </para>
        <para>rente	                  pm</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">II.</emphasis> De navolgende personen, hierna te noemen: de bemanningsleden, maken ieder voor zich aanspraak op het achter hun naam vermelde bedrag in US$ aan loon ex artikel 8:211 sub b BW:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>1. bemanningsleden1],			           				              127.059</para>
      <para>2.  [ bemanningsleden2],					             	                24.614</para>
      <para>3.  [ bemanningsleden3],								     38.306							        </para>
      <para>4.  [ bemanningsleden4], 		       		  		       	                 77.081							                 </para>
      <para>5.  [ bemanningsleden5],								     41.445									     </para>
      <para>6  [ bemanningsleden6],				    		                             35.992</para>
      <para>7.  [ bemanningsleden7],						                             17.016</para>
      <para>8.  [ bemanningsleden8],							                 19.017</para>
      <para>9.  [ bemanningsleden9],							                 21.865</para>
      <para>10. [ bemanningsleden10],					                                        20.489</para>
      <para>11. [ bemanningsleden11], 						                            20.794						                 </para>
      <para>12. [ bemanningsleden12],							                 23.633</para>
      <para>13. [ bemanningsleden13],								       4.509							                   </para>
      <para>14. [ bemanningsleden14], 				    			                 29.529							                 </para>
      <para>15. [ bemanningsleden15], 							                 14.961							                 </para>
      <para>16. [ bemanningsleden16], 								       8.315									       </para>
      <para>17. [ bemanningsleden17], 								       5.902							               	       </para>
      <para>18. [ bemanningsleden18],								     21.258								                 </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verder maken de bemanningsleden ieder voor zich aanspraak </para>
        <para>op kosten van rechtsbijstand ex artikel 8:212 BW ad US$ 750,-- (per persoon dus).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De bemanningsleden sub 1 en sub 3 tot en met 12 maken tot slot ieder voor zich aanspraak op verbeurde dwangsommen ter hoogte van US$ 100.000,-- en bemanningslid sub 2 ter hoogte van US$ 3.000,--, met voorrang op grond van artikel 8: 211 sub b BW. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">III.</emphasis> [naam Ltd].	ex artikel 8:211 sub a	BW	                 100.418,42</para>
        <para>						ex artikel 8:212 BW		      rente              pm</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">IV.</emphasis> [naam bank], (SBI Singapore (en voor zover nodig SBI, Mumbai en Bank of Baroda)) ex artikel 8:204 BW:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>a.	het bedrag van US$ 107.467.094,75, zijnde het totale bedrag van de verschuldigde hoofdsom ten aanzien van de vordering van SBI, Mumbai sinds 21 december 2017;</para>
      <para>b. 	de verschuldigde rente ten aanzien van de vordering van SBI, Mumbai van 7,1969% per jaar, berekend tot het moment van de verdeling van de opbrengst van de executie, welke rente op 31 december 2017  US$ 3.939.491,-- bedroeg;</para>
      <para>c. 	de verschuldigde “<emphasis role="italic">default interest</emphasis>” van 2% per jaar ten aanzien van de vordering van SBI, Mumbai, berekend tot het moment van de verdeling van de opbrengst van de executie, welke default interest op 31 december 2017 US$ 3.939.491,-- bedroeg;</para>
      <para>d.	het bedrag van US$ 12.076.596,-- zijnde het totale bedrag van de verschuldigde hoofdsom ten aanzien van de vordering van Bank of Baroda sinds 5 januari 2016;</para>
      <para>e. 	de verschuldigde rente tegen het tarief van 3 maands LIBOR + 6,45% per jaar op de hoofdsom van US$ 12.076.596,-- ter zake van de vordering van Bank of Baroda, berekend tot het moment van de verdeling van de opbrengst van de executie, welke rente op 19 oktober 2017 US$ 1.690.394,38 bedroeg;</para>
      <para>f. 	de verschuldigde default interest van 2 % per jaar ter zake van de vordering van Bank of Baroda, berekend tot het moment van de verdeling van de opbrengst van de executie, welke default interest op 19 oktober 2017 US$ 52.037,42 bedroeg;</para>
      <para>g. 	alle door SBI Singapore in dezen geleden schade en gemaakte kosten, waaronder in ieder geval de kosten zoals genoemd onder punt 22 en 23 van het aanmeldingsstuk van State Bank of India c.s..</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Namens de (voormalige) bemanningsleden heeft [advocaat] verzocht om partijen in de gelegenheid te stellen schriftelijk op elkaars vorderingen en de geclaimde voorrang te laten reageren, mede omdat alle partijen in het buitenland gevestigd zijn. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Met de bemanningsleden komt het de rechter-commissaris voorshands weinig zinvol voor om dag en uur te bepalen waarop alle partijen zich bij de rechter-commissaris kunnen vervoegen tot het voorstellen van hun tegenspraak als bedoeld in artikel 484 Rv. De rechter-commissaris zal daarom de zaak verwijzen naar de hierna vermelde E.J.-rolzitting voor akte uitlating zijdens partijen. Partijen kunnen dan bij die door hen onderscheidenlijk te nemen aktes - desgewenst - schriftelijk bezwaar maken tegen elkaars vordering en de voorrang waarop aanspraak wordt gemaakt. Nadien zal de staat van verdeling op voet van artikel 483 Rv worden opgemaakt en zo nodig een dag worden bepaald waarop partijen op voet van artikel 484 Rv zich bij de rechter-commissaris kunnen vervoegen tot het (formeel) voorstellen van tegenspraak tegen die staat van verdeling.  In geval van (gehandhaafde) tegenspraak zal de zaak op voet van artikel 486 lid 1 Rv worden verwezen naar de (algemene) rolzitting. In dat geval dienen de gemachtigden van partijen zich op voet van artikel 486 lid 2 Rv te stellen in die (naar verwachting langdurige) procedure. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>DE UITSPRAAK</title>
    <para>De rechter-commissaris:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-verwijst de zaak naar de E.J.-rolzitting van dinsdag 30 oktober 2018 voor nadere schriftelijke reactie als bedoeld in rechtsoverweging 2.3;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 18 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_80ee4243-8832-4053-8fe1-c6987877ed09" label="1">
    <para>[1] Zie onderaan bijlage Formele relaties</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d16ff4d0-bceb-4e78-9e7a-3df32a7ecaa6" label="2">
    <para>[2] Zie onderaan bijlage Overzicht rechtsgebieden</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d472a497-930c-45ae-8797-1a259c41bf36" label="3">
    <para>[3] Zie onderaan bijlage Bijzondere kenmerken van uitspraak</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>