<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2018:432</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-07-16T12:05:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-07-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">A.R. 2638 van 2017/AUA201703286</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2018:432">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2018:432</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-07-16T12:04:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2018:432 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 04-07-2018 / A.R. 2638 van 2017/AUA201703286</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2018:432:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>civiel, toerekenbaar tekortschieten, nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting, hoofdelijk aansprakelijk, geldlening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2018:432:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Vonnis van 4 juli 2018</para>
    <para>Behorend bij A.R. 2638 van 2017/AUA201703286.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de naamloze vennootschap</para>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">RBC ROYAL BANK (ARUBA) N.V.</emphasis>,</para>
      <para>te Aruba, </para>
      <para>hierna ook te noemen: RBC,</para>
      <para>gemachtigde: de  advocaat mr. W.G.T.M. Kloes,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>[gedaagde 1],hierna te noemen: [gedaagde 1],</title>
    <parablock>
      <para>niet verschenen,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">2. </emphasis>
        <emphasis role="bold underline">[gedaagde 2]</emphasis>, hierna te noemen: [gedaagde 2],</para>
      <para>procederend in persoon,</para>
      <para>beiden wonende in Aruba,</para>
      <para>GEDAAGDEN.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE PROCEDURE </title>
    <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    <para />
    <para>- het verzoekschrift, ingediend op 27 november 2017;</para>
    <para>- het tegen [gedaagde 1] verleende verstek op de zitting van 31 januari 2018;</para>
    <para>- de mondelinge conclusie van antwoord van [gedaagde 2] genomen op de zitting van 28 maart 2018;</para>
    <para>- het tussenvonnis van 18 april 2018;</para>
    <para>- de overgelegde producties van 18 mei 2018 aan de zijde van RBC;</para>
    <para>- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 31 mei 2018.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>DE VASTSTAANDE FEITEN</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Tussen partijen is een overeenkomst van geldlening gesloten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Gedaagden zijn tekort geschoten in de nakoming van de uit die overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN </title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>RBC vordert – uitvoerbaar bij voorraad – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van Afl. 29.747,32, te vermeerderen met de overeengekomen rente en de buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot vergoeding van de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>RBC grondt de vordering erop dat gedaagden toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3 [</nr>
      <para>gedaagde 2] voert hiertegen verweer.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>DE BEOORDELING </title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Uit de overgelegde overeenkomst volgt dat [gedaagde 2] samen met [gedaagde 1] de overeenkomst van geldlening is aangegaan. Beide schuldenaren zijn dan ook jegens RBC hoofdelijk aansprakelijk voor het geheel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2 [</nr>
      <para>gedaagde 2] heeft de vordering van RBC niet betwist. Zij heeft echter gesteld dat zij het bedrag niet weet, nu zij alleen de overeenkomst heeft ondertekend. Bovendien wijst zij op haar slechte financiële positie, die het onmogelijk maakt om de door RBC verzochte voldoening aan de overeenkomst na te komen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3 [</nr>
      <para>gedaagde 2] heeft juistheid van de nadere uitleg van RBC ter zitting niet bestreden. Nu de inhoud niet wordt weersproken en voldoende aannemelijk is dat RBC buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt, is de vordering toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Als de in het ongelijk te stellen partij zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (deels hoofdelijk) worden veroordeeld om de proceskosten van RBC te vergoeden. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>DE UITSPRAAK</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk - des dat hetgeen de één heeft betaald ook de ander ten belope van die betaling bevrijdt - om aan RBC te betalen Afl. 29.747,32, te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 18% jaarlijks gerekend vanaf 6 november 2017 de dag waarop volledig zal zijn betaald en tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Afl. 1.500,;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van RBC worden begroot op Afl. 750, aan griffierecht (hoofdelijk), Afl. 187,95  aan explootkosten voor [gedaagde 1] en Afl. 198,27 aan explootkosten voor [gedaagde 2] en Afl. 2.500, aan salaris van de gemachtigde (hoofdelijk);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>