<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:OGEAA:2017:928</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-12-04T14:20:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" psi:resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/GEA Aruba" scheme="psi.rechtspraak">Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-11-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">A.R. 3049 van 2017/AUA201600654</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2017:928">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGEAA:2017:928</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-12-04T14:20:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:OGEAA:2017:928 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 22-11-2017 / A.R. 3049 van 2017/AUA201600654</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:OGEAA:2017:928:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Civiel. Vordering feitelijk onderbouwen en bij gemotiveerde betwisting zo nodig bewijzen. Huurpenningen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:OGEAA:2017:928:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Vonnis van 22 november 2017</para>
    <para>Behorend bij A.R. 3049 van 2017/AUA201600654</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>VONNIS</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[naam eiser 1]</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[naam eiser 2]</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [land], domicilie kiezende te Aruba,</para>
      <para>ten kantore van hun gemachtigde,</para>
      <para>eisers, hierna ook te noemen: [eisers],</para>
      <para>gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[naam gedaagde 1] </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold underline">[naam gedaagde 2] </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te Aruba, </para>
      <para>gedaagden, hierna ook te noemen: [gedaagden],</para>
      <para>procederend in persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>DE VERDERE PROCEDURE </title>
    <para>Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:</para>
    <para>- het tussenvonnis van 26 april 2017;</para>
    <para>- de brief van 5 juni 2017 met productie aan de zijde van [eisers];</para>
    <para>- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van het de comparitie na antwoord d.d. 7 juni 2017;</para>
    <para>- de conclusie van repliek;</para>
    <para>- de conclusie van dupliek;</para>
    <para>De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>DE VASTSTAANDE FEITEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1 [</nr>
      <para>eisers] zijn eigenaar van een woonhuis gelegen te [adres] te Aruba. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Dit huis is per 15 februari 2013 voor de duur van een jaar verhuurd aan [verhuurder] voor een huurprijs van USD 1.000,00 per maand. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op 5 maart 2012 heeft [eisers] [gedaagde 1], hierna te noemen [gedaagde 1], krachtens schriftelijke volmacht, gemachtigd om ten aanzien van het woonhuis [adres], alle zaken te regelen met betrekking tot huur, huurovereenkomsten, reparaties en utiliteiten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Bij brief van 11 augustus 2016 hebben [eisers] [gedaagden] gesommeerd om de geïncasseerde huurpenningen ad USD 15.000,00 aan hen door te betalen. Tevens sommeert [eisers] [gedaagden] om een bedrag van USD 6.000,00 te voldoen, omdat [gedaagden] twee airco’s alsmede slaapkamermeubilair uit de woning zou hebben weggehaald. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1 [</nr>
      <para>eisers] vorderen - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van US$ 21.000,00, althans de tegenwaarde daarvan in Arubaanse courant Afl. 37.800,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2015 en vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten ad <?linebreak?>AWG 5.670,00 en met veroordeling van [gedaagden] tot vergoeding van de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2 [</nr>
      <para>eisers] baseren de vordering op bovenstaand feitencomplex.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3 [</nr>
      <para>gedaagden] voeren hiertegen verweer, dat zo nodig bij de beoordeling aan de orde komt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>DE BEOORDELING </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Hoewel de volmacht uitsluitend is verstrekt aan [gedaagde 1] is tussen partijen niet in geschil dat [gedaagden] tezamen de huurpenningen hebben geïnd van de woning gelegen te [adres] te Aruba.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2 [</nr>
      <para>eisers] hebben onweersproken gesteld dat [gedaagden] erkennen dat zij de huurpenningen in de periode augustus 2013 tot en met oktober 2014 hebben geïncasseerd, doch dezen niet hebben afgedragen aan [eisers] Dit betreft een periode van 15 maanden. Uitgaande van een huurprijs van USD 1.000,00 per maand, hebben [gedaagden] ten onrechte een bedrag van USD 15.000,00 niet afgedragen aan [eisers].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3 [</nr>
      <para>gedaagden] hebben gedurende de tijd dat zij de woning voor [eisers] in beheer hadden, slechts twee betalingen verricht, te weten op 12 juni 2013 een bedrag ad USD 969,44 met omschrijving ‘<emphasis role="italic">rent of May 2013’</emphasis> en een op 16 augustus 2013 van ad USD 2.876,49 met omschrijving ‘<emphasis role="italic">rent [adres]</emphasis>.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Hoewel de omschrijving van de betaling op 16 augustus 2013 anders doet vermoeden, houdt het gerecht het ervoor dat deze toch betrekking heeft op de woning gelegen te [adres], nu gesteld noch gebleken is dat gedaagden tevens een woning gelegen te [adres] voor [eisers] in beheer hadden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5 [</nr>
      <para>eisers] hebben voorts onweersproken gesteld dat met [gedaagden] een betalingsregeling is getroffen, inhoudende dat [gedaagden] het totaal bedrag van USD 15.000,00 in twee termijnen zouden terug betalen. De eerste in oktober 2014, de tweede in januari 2015. Hiermee hebben [gedaagden] in feite de vordering erkend.  Vast staat dat [gedaagden] deze betalingsregeling niet zijn nagekomen, zodat de hoofdsom toegewezen kan worden. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6 [</nr>
      <para>eisers] maken tevens aanspraak op een bedrag van USD 6.000,00, zijnde de waarde van twee vermiste airco’s en slaapkamer meubilair. [gedaagden] betwisten dat zij twee airco’s en een bed hebben weggenomen uit de verhuurders woning. Uitgezonderd een niet ondertekende verklaring van ene [getuige], waaruit volgt dat hij van derden vernomen had dat [gedaagde 2] het slaapkamermeubilair zou hebben meegenomen, is er geen bewijs dat dit daadwerkelijk het geval is. Dit geldt eens te meer voor de pretens vermiste airco’s. Het lag op de weg van [eisers] om dit gedeelte van de vordering feitelijk te onderbouwen en bij gemotiveerde betwisting zo nodig te bewijzen. Nu [eisers] ten aanzien van de vermissing van de airco’s en het slaapkamermeubilair geen feiten hebben gesteld, wordt dit gedeelte van de vordering als onvoldoende feitelijk onderbouwd afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de dag dat [gedaagden] in verzuim zijn, nadat zij schriftelijk in gebreke zijn gesteld en een redelijke termijn hebben gekregen om alsnog na te komen. In de brief van 11 augustus 2016 hebben [eisers] [gedaagden] 14 dagen de tijd gegeven om de ingehouden huurpenningen alsmede de pretense schade te betalen. Vaststaat dat [gedaagden] niets hebben betaald. Aldus zijn zij in verzuim vanaf 26 augustus 2016 en is vanaf deze datum de wettelijke rente verschuldigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <para>De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, nu deze niet zijn onderbouwd. [eisers] hebben immers uitsluitend een sommatie overgelegd, die strekte tot inleiding van deze procedure en derhalve onder de proceskosten vallen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9 [</nr>
      <para>gedaagden] worden nu zij grotendeels in het ongelijk zijn gesteld in de kosten van de procedure veroordeeld, behorende bij liquidatietarief 5 dat past bij de toegewezen hoofdsom van USD 15.000,00. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>DE UITSPRAAK</title>
    <para>De rechter in dit gerecht:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eisers] van een bedrag van USD 15.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2016 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagden] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [eisers] worden begroot op Afl. 750,00 aan griffierecht, Afl.  215,53 aan explootkosten en Afl. 3.750,00  aan salaris van de gemachtigde;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 22 november 2017 in aanwezigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para />
        <para />
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>